Monthly Archives

juni 2016

column

Jouw Duits is beter

‘Drie keer achttien kilometer, dat kan jij wel toch?’

Mijn zus wil drie dagen gaan wandelen op een stuk van de Maas-Niederrheinroute in Duitsland. Ze vraagt of ik zin heb mee te gaan.

‘Ik heb geboekt via een organisatie die alles heeft geregeld. Onze hotels zijn geboekt. Onze bagage wordt vervoerd. En we worden op het eind weer naar onze auto teruggebracht met de taxi.’
‘Is dat niet heel decadent?’
‘Ja’
‘Oké!’

Ons optimisme wordt in de dagen erna echter danig op de proef gesteld door reacties uit onze omgeving.
‘Achttien kilometer? Dat is ver!’
‘Nou ik weet niet of ik dat zou kunnen hoor!’
‘Heb je wel getraind dan?’

Eh, nee. Ik begin ook te twijfelen. Heb ik ooit in mijn leven wel eens achttien kilometer gelopen eigenlijk? Herinneringen aan wandelingen tijdens kampeervakanties doemen op, met hongerklop, gutsend zweet, blaren en chagrijn. En dat was niet eens achttien kilometer, dat weet ik zeker.

Snel gaan we in de week voor ons vertrek nog wat trainen. Ieder voor zich want we wonen niet bij elkaar in de buurt. We appen druk heen en weer over onze bevindingen.
‘Vandaag elf kilometer gelopen, ik was k.a.p.o.t !’
‘Ik heb nieuwe wandelschoenen gekocht. Kut, lopen voor geen meter!’
‘Dat gaat nooit lukken man. Wiens idee was dit eigenlijk?’

Op de ochtend van ons vertrek vegen we echter al onze restjes optimisme bij elkaar en zijn we vol goede moed.
‘Dit gaan we doen hè?’
‘Ja man, dit gaan we fixen!’
‘We gaan het avontuur tegemoet!’
‘Yeah, let’s go!’

Na een autorit van anderhalf uur checken we in bij het eerste hotel. Een schattig ‘gasthaus’. Helaas wel met eigenaren van het type ‘een hotel runnen is mijn lust en mijn leven maar jammer van die gasten.’ Een verschrompelde welkomstappel op de fruitschaal in onze kamer als treffende illustratie.

Na het inchecken moeten we ruim een uur wachten op de taxi die ons naar het vertrekpunt brengt. We drinken koffie op het terras.
‘Moeten we deze koffie nu betalen denk je, of zou dat gewoon bij de rekening kunnen?’
‘Kweenie. Ga eens vragen’
‘Nee jouw Duits is beter’
‘Niet’

Onze taxi is keurig op tijd en brengt ons naar het startpunt. Bewapend met routebeschrijving, kaart en GPS gaan we op pad. Niemand maakt ons wat.

Na ongeveer een kilometer lopen krijg ik al last van mijn linkerheup. O nee, denk ik. Daar heb je het al. Visioenen van een taxi in het Duits bestellen en dan uitleggen waar we zijn, verschijnen in mijn hoofd. Zouden taxichauffeurs raad weten met GPS-coördinaten? Maar na ongeveer een uur lopen verdwijnt de pijn weer. Mijn zus heeft ondertussen pijn aan haar voet gekregen. Ik heb pijn aan mijn enkel, mijn zus in haar knie. Maar we lopen door. De pijntjes zijn een rondreizend circus. Dan verschijnen ze hier, dan weer daar.

We lopen door bos, door schattige dorpjes, langs akkers. Héél véél prachtige akkers met felgele koolzaadbloemen. We houden het tempo rustig. We lijken twee bejaarden op weg naar de buurtsuper. Het gaat niet snel maar wel gestaag. De pijn in de voeten van mijn zus blijkt helaas hardnekkig. Ze besluit de onderkant van haar voeten af te plakken met Hansaplast. Dat gaat niet zomaar. Mijn zus heeft haar google-huiswerk goed gedaan. Het blijkt een heel precies werkje met dakpansgewijs aanbrengen enzo van de stroken tape.

Het afplakken blijkt te helpen en het laatste stukje verloopt zonder problemen. Uiteindelijk komen we na vijf en half uur lopen aan bij ons hotel.
‘We hebben het gehaald!’
‘Appeltje eitje!’
‘Ik kan er nog wel tien!’

We high-fiven en jubelen alsof we de top van de Mount Everest gehaald hebben. Gelukzalig zijgen we neer op het terras. Al bierdrinkend feliciteren we ons met deze overwinning. We bespreken vast de volgende dag voor en allerhande levenszaken, waarover ik hier helaas niet kan uitweiden. Op luide toon, want dat doet bier met je, en hé wie verstaat je nou in Duitsland? (Nou, misschien wel die Duitse mevrouw die na enige tijd met een bedenkelijke blik onze kant op kijkt. Note to self: dildo is mogelijk een internationale term.)

Van al dat bier krijgen we honger. We lopen het restaurant binnen en zoeken een leuk plekje uit.
‘Wir willen gerne was essen. Können wir hier sitzen?’ vraag ik in mijn beste Duits (wat tevens mijn slechtste Duits is).
‘Nein, die sind reserviert’, waarna we in een hoekje van het restaurant geplaatst worden. Aan de zogenaamde gereserveerde tafeltjes zien we de rest van de avond niemand.

Ik neem een knakworst, een hele grote. Mijn vegetarische principes blijken in Duitsland flinterdun. Mijn zus neemt iets met aardappelen. Na het eten zitten we bomvol.
‘Ik hoef geen toetje hoor’
‘Nee ik ook niet’

Vijf minuten later gooit de serveerster twee bordjes met ijs en warme kersen op onze tafel.
‘Eh…’
We zijn te verbouwereerd om te protesteren.
‘Gaan we dit opeten?’
‘Maar ik zit vol’
‘We kunnen het niet laten staan. Ik ga het gewoon eten hoor’
‘Maar misschien is het een vergissing. Zitten we het toetje van een ander op te eten’
‘Mmm. Ga jij dan even vragen of het wel voor ons is’
‘Nee doe jij maar, jouw Duits is beter’
‘Niet’

Mijn zus blijkt de moedigste en gaat het vragen. Het toetje blijkt voor ons, het zat blijkbaar in het pakket. We eten het braaf op.

‘Wie spät wollen Sie das Frühstück?’, vraagt de hoteleigenaar, voor we naar onze kamer vertrekken. ‘Acht Uhr’, zeg ik, want we willen de volgende dag op tijd vertrekken. De man kijkt me aan alsof hij water ziet branden. ‘Zu spät?’ vraag ik met een piepstemmetje. ‘Nein’. Hij schudt zijn hoofd over zoveel domheid. Acht uur blijkt een beetje te früh voor het Frühstück. ‘Halb nein?’ stelt hij voor. ‘Ja is gut!’ roep ik, opgelucht dat het Frühstück probleem is opgelost. We willen toch niet dat die arme hotelmensen zo vroeg voor ons moeten opstaan.

Het ontbijt blijkt een nieuwe bron van stress. We hebben vier broodjes en een paar boterhammen. Moeten we hier ook onze lunch van smeren? Zouden ze wel weten dat we ook een lunchpakket horen te krijgen.
‘Ga jij het eens vragen’
‘Nee doe jij maar, jouw Duits is beter’
‘Niet’

We hebben geen van beiden de moed om het te gaan vragen aan de hoteleigenaar die al zo früh voor ons moest opstaan. We besmeren de boterhammen die in het mandje liggen. Het moet maar genoeg zijn. We hebben tenslotte ook nog koeken, nootjes en dropjes.

Onze spullen zijn gepakt en mijn zus zit beteuterd op het bankje in onze hotelkamer.
‘Ik zie het echt niet zitten hoor. Mijn voeten doen ontzettend veel pijn’
‘Nou als het niet meer gaat bellen we een taxi hoor’
‘Ok is goed’
‘Bel jij die dan?’
‘Nee jij jouw Duits is beter’
‘Niet’

Met de beplakte en betalkte voeten van mijn zus gaan we op weg. Ik heb er zin in. Het weer is heerlijk en de omgeving is schitterend. Duitsers blijken superaardige mensen. Iedereen, echt iedereen die we tegenkomen groet ons vriendelijk. Ik, doorgaans niet de meest sociale persoon en al helemaal niet ’s ochtends, roep opgewekt tegen iedereen die we tegenkomen:
‘Gutemorgen!’
‘Hallo!’
‘Gutentag!’

Het lopen gaat voorspoedig. Als een wonder heeft mijn zus nauwelijks last meer van haar voeten.
‘Zie je, je moet je niet zo’n zorgen maken van te voren. Je weet nooit hoe de dingen lopen’
Dan gaat mijn telefoon. Het blijkt de eigenaresse van ons volgende hotel. Ze zijn overboekt. Maar ze hebben een ander hotel voor ons geregeld. De vrouw put zich uit in excuses.

De rest van de wandeling dwalen onze gedachten regelmatig af naar straks. Hoe moet dat met de bagage? En hoe komen we morgen weer terug op de route? En hoe zit dat met de afrekening?

Halverwege de middag komen we aan bij het overboekte hotel. De eigenaresse blijkt alles voor ons geregeld te hebben. De bagage, het vervoer, de afrekening, alles is keurig geregeld. Het andere hotel blijkt ook nog een veel charmantere plek. Nee, je weet inderdaad nooit hoe de dingen lopen.

Het bier en het eten smaakt ons goed. Het is een fijn hotel, op één uitzondering na. Als we ‘s avonds in bed liggen horen we een irritante harde brom. Waarschijnlijk een koelinstallatie of iets dergelijks.
‘Zo kan ik niet slapen hoor’, klaagt mijn zus.
‘Je moet je gewoon voorstellen dat het de motor van een cruiseschip is en dat we nu de haven uitvaren‘ zeg ik monter.
‘Mmmm’

Even later hoor ik mijn zus zachtjes snurken. Ik lig nog klaarwakker.
Kutschip.

‘s Ochtends staat er een heerlijk verzorgd ontbijtje. Klaargemaakt met aandacht. Dat voelt als een warme deken. Verse broodjes, verse jus. Een eitje. De vriendelijke hoteleigenaar die vraagt of we nog wat nodig hebben. Ja zo hoort een hotelontbijtje te zijn. Het zit ‘m in de details. Zo staan alle potjes jam en honing met de etiketjes dezelfde kant op. Mijn obsessief compulsieve ikje slaakt van binnen zachtjes een zucht.

Ook de derde dag, de warmste dag, verloopt zonder veel problemen. Het is weer een schitterende wandeling, door bos en langs meertjes. We halen het eindpunt en nemen de taxi terug naar ons eerste hotel waar onze auto staat.

In de auto terug naar huis voelen we nog de gloed na van de zon, de mooie natuur, de vriendelijke mensen en onze diepe gesprekken. En ach, die drie keer achttien kilometer bleek peanuts. Nee, de menselijke interacties, de sociale situaties, die zorgen in onze familie voor de verhoogde stressniveaus. Aangewakkerd door de expressie van het sorry-dat-ik-besta-let-maar-niet-op-mij-gen. En dat maal twee. Maar, zo concluderen we allebei, we voelen hierin ook duidelijk het voordeel van ouder worden. Je ziet het gen in actie en je kunt erom glimlachen. En met een paar glazen Duits bier zelfs om schaterlachen. De uitwerking van een ander gen. Maal twee.