Browsing Category

column

column

Proberen

Als ik nu nog eens iemand hoor zeggen: ‘Je moet het niet proberen, je moet het doen’ dan hoek ik die neer. Ik kan dat echt niet meer horen. Meestal zijn het coaches die dit zeggen of mensen die wel eens een NLP cursus hebben gedaan. Ze komen uit dezelfde stal als de Ja-Maar politie. Dan zit je net midden in een zin: ‘Ja, dat is wel zo, maar….’ en dan krijg je JA MAAR IS NEE!! keihard in je gezicht geschreeuwd. Terwijl je alleen maar een nuancering wilde aanbrengen aan iets waar je echt wel de potentie van inzag.

Proberen wordt door deze mensen gezien als een laffe disclaimer. Een uiting van twijfel. Onzekerheid. En dat is het terrein van de zwakkelingen, dat zich bevindt in de krochten van ons wezen, een plek waar deze doelgerichte mensen liever niet gezien worden. Zij begeven zich liever in de praalkamers van het positief denken. Van weten wat je wil en daarvoor gaan! Alles uit het leven halen! (Ook die vieze kleine flubberdingetjes?) Je volle potentieel benutten! Want dat is tegenwoordig de nieuwe must in je persoonlijke ontwikkeling. Want wie er nou een beetje met een half potentieel door het leven gaan? Niemand toch. En wat krijg je dan? Mensen met een prima leven die ineens bedenken dat ze misschien wel niet hun volle potentieel leven. Paniek! Stress! Dus daar gaan we, hup, met z’n allen op zoek naar ons volle potentieel. En dan denk je het gevonden te hebben en dient zich de vraag aan: is het wel je volle potentieel? Misschien is het wel een halflege versie (o pardon, halfvolle). En zo blijven we maar bezig onszelf te verbeteren en te upgraden. Nou, ik zou willen zeggen: fuck dat volle potentieel. Bestaat het überhaupt wel? Misschien is mijn volle potentieel op dit moment wel dat ik helemaal geen behoefte heb om mijn volle potentieel te benutten. Of is mijn volle potentieel op dit moment het ruiken van de regen buiten, het luisteren naar het verhaal van mijn dochter of het voelen van de angst in mijn lichaam.

Maar goed ik dwaal af.

Ik had het over proberen versus doen. Dus je moet volgens deze positivo’s niet zeggen: ik ga proberen iedere dag te mediteren, maar: ik ga het doen! Niet: ik ga vandaag proberen mijn geduld niet te verliezen, maar: ik ga het doen! Niet: ik ga proberen deze maand 5 kilo af te vallen, maar: ik ga het doen! Niet: ik ga proberen deze keer iets te zeggen op de vergadering, maar: ik ga het doen! Het voorbeeld dat je dan vaak hoort is: heb je weleens geprobeerd een potlood op te pakken? Nee hè? Je deed het of je deed het niet. Dan denk ik: ja lekker makkelijk. Een potlood oppakken. Neem dan een goed voorbeeld. Een gladde aal een half uur vasthouden. Of op commando huilen. Of de nachtwacht naschilderen.

Kijk ik ben ook niet helemaal achterlijk. Ik snap best dat als je eigenlijk al overtuigd bent dat iets niet gaat lukken, de kans groter is dat het niet gaat lukken. Maar dat los je niet op door het woordje proberen te vervangen door het woordje doen. Dan is het een cosmetische ingreep. Daaronder woekeren nog net zo hard de overtuigingen en ideeën, als een abces onder een gladgestreken huid. Mensen die gecorrigeerd worden als ze zeggen dat ze iets gaan proberen, zeggen dan snel: oh nee, ik ga het doen! En ondertussen zie je de paniek en twijfel in hun ogen, en kun je de steen in hun maag bijna voelen. Net als met affirmaties. Je kunt duizend keer in een spiegel tegen jezelf zeggen ‘ik ben mooi ik ben goed’, als je diepste overtuiging vanbinnen is dat je oerlelijk en full of shit bent, creëren die affirmaties alleen maar een innerlijke strijd en nog meer lijden.

Dus. Laten we gewoon eerlijk tegen onszelf zijn. Ik zou daarom graag het woordje proberen uit het verdomhoekje willen halen. Ik heb er sympathie voor. Ik hou van de bescheidenheid van het woord. Van de erkenning van het niet weten. De erkenning van het menselijk falen. Ik wil het doen maar ik weet niet zeker of het gaat lukken. ‘Ik wil altijd eerlijk zijn en ik weet niet of het gaat lukken. Maar ik ga het wel proberen.’ ‘Ik wil schrijver worden, en ik weet niet of het gaat lukken. Maar ik ga het wel proberen.’ Wat namelijk ook zo fijn is van het woordje proberen: het verlaagt enorm de drempel om bepaalde dingen te doen. Dingen die je eng vindt. Of moeilijk. Het fluistert je zachtjes toe: ‘kom maar, toe maar, het is eng, je bent bang, je bent onzeker en dat is allemaal oké, probeer het maar gewoon.’

Laten we het woordje doen vervangen door proberen. En eens kijken wat er dan gebeurt.

Probeer het eens.


Verschenen in de Padma Nieuwsbrief maart 2017

column

De Schetenman

Ja, Trump is nu president en dat is allemaal heel erg en hoe moet het nu verder met de wereld enzo (serieus, ik kan er wakker van liggen), maar vandaag houdt mij een andere prangende vraag bezig, van een geheel ander kaliber, maar toch, laten we ook dit soort vragen des levens niet veronachtzamen, al is het maar om even niet aan Trump te hoeven denken.

Mijn vraag vandaag is deze: wat te doen met opkomende scheten, in het bijzonder tijdens een retraite?

Deze vraag hield mij al eens eerder bezig en werd weer actueel toen ik deze cartoon op Facebook voorbij zag komen. Kijk, scheten zijn nou eenmaal een onderdeel van het leven. Want we zijn allemaal menselijk, hebben een spijsvertering dus komen er ook af en toe scheten op die geboren willen worden. Ook als je tijdens een retraite de hele dag in een zaal zit met dertig andere mediteerders. Het meest gezonde is misschien laten gaan, want van inhouden kun je vreselijke buikpijn krijgen (en misschien ook nog wel shitty ideas). Maar we zijn allemaal opgevoed met de norm: in gezelschap hou je ze in (dus ook in een meditatiezaal). Want dat is gewoon beschaving, toch? Zoals je niet boert tijdens het eten. Vrij duidelijk lijkt me.

Maar toen was daar De Schetenman.

Ik was eens op een retraite waar tijdens de eerste de beste zitsessie er middenin de serene stilte ineens pweep door de ruimte galmde. Ik denk dat die pweep (of misschien was het meer een pwoop) niet eens zo hard was, maar ik kan je zeggen, in de heilige stilte van een meditatiezaal klinkt ieder geluid al snel op volume tien. Eerst denk je: hoor ik dat nou goed? Was dat…een scheet? Ja, ik geloof het toch. Ach ja, kan iedereen weleens overkomen. De volgende sessie nog één. Uit dezelfde hoek. Mmm, denk je dan, die persoon heeft het moeilijk. Bij de derde keer weet je dat het geen toeval of ongelukje is en begin je je te irriteren. We zitten hier wel alles lekker los te laten, maar je kan ook overdrijven. Maar WIE was de boosdoener? Dat bleek al snel tijdens het lopen, want ook tijdens de loopmeditatie kwam deze Schetenman af en toe gezellig langsruften.

Nu was dit een metta-retraite. Oftewel een retraite waar je (in dit geval) drie dagen lang enkel liefdevolle vriendelijkheid beoefent. Dus met alle vriendelijkheid die ik op dat moment binnen in me kon vinden, dacht ik, je weet het niet, misschien kan hij er niks aan doen en heeft hij een aandoening, of gebruikt hij medicijnen met als één van de bijwerkingen hevige flatulentie. Of misschien is het wel een geheime manier om je chakra’s schoon te blazen. Of misschien is het wel gewoon een daad van rebellie! Tegen de heiligheid van spirituele omgevingen.

Ik kreeg sympathie en zelfs bewondering voor De Schetenman. Tijdens de tweede dag overwoog ik om tijdens de loopmeditatie, als onze paden elkaar zouden kruisen, in het voorbijgaan ook een scheet te laten. Als een soort sympathiebetuiging, een hart onder de riem, een ‘hé ik snap je dude, het is oké om scheten te laten en moge ook jij gelukkig zijn’. Maar, bedacht ik me, dit is natuurlijk wel een vorm van communicatie. En iedere vorm van communicatie was ten strengste verboden tijdens deze retraite. Ik wilde deze regels natuurlijk niet overtreden. Plus, dat het ook best een logistieke puzzel was. Want hoe kreeg ik het zo getimed dat ik precies op het moment dat ik De Schetenman zou passeren, de scheet zou produceren? Dat zou nog een hele opgave worden. Kortom, het idee bleek niet levensvatbaar.

De rest van de retraite pweepte De Schetenman er lustig op los. Ik heb nooit geweten of hij het met opzet deed of er niks aan kon doen. Of misschien had hij het zelf helemaal niet door, en was het voor hem helemaal geen issue.  Misschien kwam hij uit een meditatietraditie waar dat normaal is. Maar mijn bewondering had-ie. Tijdens latere retraites heb ik weleens overwogen om ook alles eens gewoon lekker te laten gaan. Misschien kon ik wel een voorbeeld stellen, en zou ik volgers krijgen en is iedereen gewoon heel opgelucht dat het eindelijk gewoon kan. Maar ik ben sowieso helemaal niet goed in het principe ‘alles laten gaan’, dus ook bij dit onderdeel niet. Dus ik hou ze vooralsnog braaf in. Maar De Schetenman heeft nog altijd een warm (sorry) plekje in mijn hart.

En ik denk dat Trump (daar is-ie dan toch weer, ik kom er niet van los) hier eens een voorbeeld aan zou moeten nemen. Want hoe onbehouwen die man ook lijkt (of beter gezegd is), ik vermoed dat hij te allen tijde zijn scheten inhoudt, ook bij Melania, ook als hij alleen thuis is, zelfs op het toilet, en zelfs als hij de laatste man op aarde zou zijn. Het zou namelijk heel goed al die shitty ideas verklaren.


Verschenen in de Padma Nieuwsbrief februari 2017

column

De kleine oorlog

Ik wilde iets schrijven over een retraite die ik had gedaan. Een gedichtje over een boom die mij tijdens de retraite troost bood. Maar toen gebeurde er dit in mijn hoofd:

“Waarom schrijf je niet eens over het vluchtelingenprobleem, of de verschrikkelijke situatie in Syrië? Die stukjes van jou over dit en dat, zus en zo, die gaan toch nergens over? De wereld staat in brand en jij schrijft over een fakking boom, over hoe je je ongemakkelijk voelt op een camping, over het wegbrengen van snoeiafval… (Snoeiafval! Mijn god, kan het nog banaler? De mensen in Aleppo zouden WENSEN dat ze snoeiafval mochten wegbrengen!) Zou je je niet eens druk maken over de echte belangrijke zaken in de wereld? Maar nee, het moet weer over JOU gaan, met je geneuzel en je gejank. Lekker belangrijk. Schrijf eens iets intelligents over de over de klimaatcrisis of de oorlogen die de wereld in brand zetten.”

Er woedde zogezegd een kleine oorlog in mijn hoofd. Mijn kritische stem die vond dat het anders moest, beter. Ja die. Klinkt bekend?
De stem die vindt dat ik banale stukjes schrijf.
Die vindt dat ik meer ambities moet hebben
Die vindt dat ik niet zo bang moet zijn
Die vindt dat ik onafhankelijk moet zijn
Die vindt dat ik me niet eenzaam moet voelen
Die vindt dat ik spontaner moet zijn
Die vindt dat ik vaker moet flossen
Die vindt dat ik alles alleen moet kunnen
Die vindt dat ik niet zo verdrietig moet zijn
Die vindt dat ik teveel wc-papier gebruik
Die vindt dat ik me meer moet uitspreken
Die vindt dat mijn haar langer moet
Die vindt dat mijn haar korter moet
Die vindt dat ik beter moet luisteren
Die vindt dat ik niet jaloers moet zijn op die en die
Die vindt dat ik minder wijn moet drinken
Die vindt dat ik meer moet praten
Die vindt dat ik vaker een sinaasappel moet eten
Die vindt dat ik niet boos mag zijn
Die vindt dat ik niet zo lui moet zijn
Die vindt dat ik vaker het beddengoed moet verschonen
Die vindt dat ik vaker moet mediteren
Die vindt dat ik iets moet vinden van dingen
En de meest ironische van allemaal:
Die vindt dat ik niet zo kritisch op mezelf moet zijn

En ineens besefte ik dat dit misschien wel de oorsprong is van alle oorlogen die ooit op de aarde gewoed hebben. De wortel, de kiem: de oorlog in je eigen hoofd.

Die stem die zegt dat dit niet klopt, en dat niet mag. Dat het zus moet en niet zo. Die niet kan accepteren dat de dingen anders zijn dan je zou willen. Die alleen van het mooie en fijne houdt. Die niks te maken wil hebben met de ‘donkere’, ‘lelijke’ kanten van jezelf, van het leven. Die denkt te weten wat liefde is, maar in werkelijkheid geen idee heeft.

Als die oorlog in jezelf gaande is, hoe kun je dan de wereld met liefde tegemoet treden? Met compassie? Met vriendelijkheid, échte vriendelijkheid?

Dus ja, de wereld staat in brand. Ik zie de beelden. Het maakt me verdrietig, angstig. En nee, ik weet niet wat ik daarover moet schrijven. Ik weet alleen dat het hier begint, vanbinnen. Ben ik bereid alles wat ik daar tegen kom te accepteren? Ja ook die kritische stem? En met liefde te bekijken? Zonder het te willen veranderen?

Ja. Makkelijk? Nee. Lukt het? Meestal niet.

Bereid? Ja.

(Dus toen gaf ik die kritische stem een kus en schreef alsnog het gedichtje, dat je hier kan lezen.)


Verschenen in de Padma Nieuwsbrief januari 2017

column, fictie

Troostboom

Ik lig hier omgevallen

In het water op m’n rug

Mijn takken als open armen

Kom hier maar zitten

Op het zachte mos

 

Het is niet erg

Dat je het niet weet

Laat je warme tranen

Vallen in het koude meer

Roerloos blijf ik hier liggen

 

Niets vraag ik van je

Leven hoef je niet te doen

Ik draag jou in de stilte

Totdat je zelf ziet

‘Die stilte dat ben ik’

column

Het omslachtige universum

Ken je dat gevoel dat je denkt het nu wel te weten allemaal – hoe het leven in elkaar zit en dat soort dingen – en dan gebeurt er iets waardoor alles wat je geleerd hebt als sneeuw voor de zon lijkt verdwenen? (Zeg ja). Nou dat gevoel had ik laatst en dan denk ik: ga ik het ooit leren en djiezus waarom moet het leven zo ingewikkeld doen?

Ach, de arrogantie van de spirituele (wat dat dan ook mag betekenen) zoeker. Je denkt het nu wel te weten allemaal, hoe je moet leven. Kijk maar naar al die lessen die je geleerd hebt, de retraites die je gedaan hebt, de inzichten die je had, de boeken die je hebt gelezen. Allemaal keurig gedeeld op Facebook, kijk eens mensen, weer een spirituele quote met een mooi plaatje erbij. (Je weet wel, zo’n foto van een zonsondergang. Of een stapel stenen.)

Kortom, mij hoef je niks meer wijs te maken, ik weet het nou wel hoor.

Oh really Karin? Nou, het leven denkt daar heel anders over.

Dus jij denkt dat je wel tegen kritiek kan? Hier, een baas die vindt dat het allemaal anders moet.
Eenzaam? Valt wel mee toch? Hier, vakantie op een camping met allemaal super-gelukkige stelletjes.
Niet meer cynisch worden als je je gekwetst voelt? Haha. Hier, een moeilijk gesprek met je ex.

Sta je dan met al je lessen. Getriggerd van top tot teen, met alle oude reactieve patronen, sommige waarvan je niet eens meer wist dat je die in je had.

‘Ja’, zeggen mensen dan, ‘het universum geeft je wat je nodig hebt.’

O ja? Heeft het universum mij ooit iets gevraagd dan? Heeft het weleens aan mijn deur gestaan? Me opgebeld? Een enquête gestuurd? Nooit iets van gemerkt. En ik ben helemaal niet zo moeilijk hoor. Alles wat ik nodig heb is gewoon een beetje rust in mijn hoofd, liefde voor mezelf, en o ja, heel veel seizoenen van de Gilmore Girls. Helemaal niet zo ingewikkeld. Sinterklaas (die goeie ouwe Sint) zou voor dit lijstje zijn hand niet omdraaien. Maar het universum? Nee joh, daar moet het allemaal veel omslachtiger. Die geeft je precies dat wat je NIET wilt.

Als het universum bij bol.com zou werken zou het allang ontslagen zijn.

Heb je een pakketje geduld besteld? Jammer dan, we sturen je frustratie.
Zekerheid zei je? Ga eerst maar eens met dit pakketje twijfel aan de slag.
Je wilt compassie? Woehaha. Hier heb je eerst wat zelfhaat. Succes!

Ik flikkerde die pakketjes altijd ergens in een kast. Maar dat werkt niet echt. Op een gegeven moment komen ze er toch weer uitrollen. Kun je ze maar beter gaan uitpakken. Maar mensen, wat een gedoe toch allemaal.

Daarom zou ik nu tegen het universum willen zeggen: kan het niet een beetje minder omslachtig allemaal? Alvast bedankt.


Verschenen in de Padma Nieuwsbrief november 2016

column

Vrouw Alleen Zonder Man In Huis

Sinds een jaar woon ik alleen. Nou ja, niet echt natuurlijk, mijn dochter woont bij me, maar wat ik bedoel is: ik woon Alleen Zonder Man In Huis. En dat betekent dat ik al die dingen die de Voormalig Man In Huis deed in de afgelopen 27 jaar, nu zelf moet doen. Denk aan klusjes als de afvoer ontstoppen, deurtjes afhangen, de heg snoeien, een lamp ophangen en de olie van de auto bijvullen. Dat laatste is overigens best een makkie als je eenmaal weet hoe de motorkap open moet.

En ik weet wat jij nu denkt: ‘wat ontzettend ouderwets verdeeld zeg, en jij deed zeker de was en de boodschappen?’ Eh ja, inderdaad. Maar dat komt, die Man In Huis was heel handig en technisch. Dus ja, je zou wel gek zijn als je zelf twee uur gaat lopen modderen terwijl die ander het in tien minuutjes fikst. Of niet dan?

Maar wat blijkt, de meeste klusjes zijn leuk om te doen. Zeker als het lukt (Google is mijn beste vriend). Eén van mijn favoriete klusjes van al die klussen die voorheen gedaan werden door de Man In Huis is: Naar De Milieustraat Rijden. En het liefst zou ik dan grof vuil wegbrengen. Die woorden alleen al. Niet alleen VUIL dat je gaat wegbrengen, maar ook nog GROF. GROF VUIL. Oh man.

Maar ja, ik heb nooit grof vuil, het zou niet eens in mijn auto passen, dus mijn ritjes naar de milieustraat beperken zich vooral tot het wegbrengen van oud papier en lege flessen. En dat lijkt simpel maar hé, maar je moet echt wel weten wat je doet want je mag niet zomaar alles in de eerste de beste container smijten. Nee, voor alles is een aparte container, mocht je dat nog niet weten. Je hebt containers voor bijvoorbeeld papier en karton, hout, metaal, gips en ‘restafval brandbaar’ en ‘restafval niet brandbaar’.

Vooral die laatste vind ik een moeilijke categorie. Hoe weet ik of iets wel of niet brandbaar is? Moet ik het dan eerst thuis in de fik steken om te checken of het brandt, alvorens het naar de milieustraat te brengen? Ik ben weleens met spullen die ik wilde weggooien na een schuuropruiming naar de milieustraat gereden en na het zien van dat bordje er weer mee naar huis gereden, omdat ik als de dood was dat ik iets in de verkeerde container zou gooien. Brandbaar of niet brandbaar? Geen idee. Vervolgens heb ik het thuis in de grijze container geflikkerd. Dan zoeken ze op de vuilstortplaats maar uit of iets brandbaar is of niet. Moet je niet aan mij vragen dit soort dingen.

Goed, vooral oud papier en glaswerk dus, dat ik wegbreng, niet heel spannend. Maar laatst had ik iets wat voor mijn gevoel nog het meest bij grof vuil in de buurt kwam.

Snoeiafval.

Na een dagje in de tuin werken had ik tien vuilniszakken vol met snoeiafval. Het liefst had ik dat natuurlijk met een aanhangwagen afgevoerd, zoals je met snoeiafval hoort te doen. Maar een aanhangwagen heb ik niet, dus ik moest het doen met die sneue zakken.

Die zakken stonden eerst een paar weken in mijn tuin want als Vrouw Alleen Zonder Man In Huis had ik nog wel meer dingen te doen en bovendien, hoe zou ik ooit die zakken in mijn auto krijgen. Maar toen kwam toch de dag dat ik mezelf toesprak: ‘hup niet zeuren Vrouw Alleen Zonder Man In Huis, gooi die achterbank plat, knal die zakken erin en karren’. Geschrokken van zoveel daadkracht ineens deed ik braaf wat ik mezelf had opgedragen.

En terwijl ik zo bezig was met die zakken in mijn auto te zetten hoopte ik stiekem dat de buren mij bezig zouden zien en dan zouden denken (denk polygoonjournaalstem erbij): ‘Nou zij is dan wel alleen, maar kijk eensch hoe handig zij die zakken met snoeiafval in haer auto zet. Die Vrouw Alleen Zonder Man In Huisch! Welk een daedkracht spreidt zij hier ten tonele!’ (Ja mensen, zo ga ik door het leven, ik probeer er ook maar wat van te maken).

Dus daar reed ik met mijn tien zakken snoeiafval, naar de milieustraat. En dan, waar precies is de afdeling snoeiafval? Gelukkig mag je in de milieustraat maar vijf kilometer per uur rijden, dus alle tijd om te kijken waar ik moest wezen. Waarom had ik daar nooit eerder op gelet, waar de afdeling snoeiafval is? Met een blik alsof ik wist waar ik heen ging met die tien zakken in mijn auto, reed ik mijn rondje over de milieustraat. Wat nou als ik het niet kon vinden? Dan zou ik nóg een rondje moeten rijden, en dat zou echt heel gênant zijn. Of erger nog, ik zou het moeten VRAGEN.

Maar gelukkig, daar in de hoek zag ik een bordje met ‘groenafval’. Ik parkeerde mijn auto naast een man met, uiteraard, een aanhangwagen. Ik stapte uit en we wisselden een blik van verstandhouding uit. Een blik zonder woorden, maar die ongeveer zei: ‘Ha, jij ook hier. Ja snoeiafval. ’t Is wat hè. Moet gebeuren. Doen we effe. Geen probleem. Straks nog effe wat grof vuil wegbrengen.’ Zo’n blik dus, waar dan een begin van een glimlach bij hoort, zo eentje met slechts één opgetrokken mondhoek.

Terwijl de man met werkhandschoenen en al, staand op de aanhanger, zijn snoeiafval op de grote berg smeet, stond ik mijn sneue vuilniszakken uit te schudden. Waarbij ik ook nog moest opletten dat er geen stinkende drab (die zich onderin de zak had gevormd) op mijn schoenen terecht kwam, dus dat was nog een hele kunst.

Ondertussen kwam er nog een andere man aanrijden, die – uiteraard met één hand sturend –  zijn aanhangwagen achteruit parkeerde, uit de auto sprong, blikken van verstandhouding uitwisselde met de andere man en mij en begon met zijn snoeiafval te dumpen. Beide mannen hadden in no time hun aanhanger leeg terwijl ik nog met mijn zakken stond te schudden. Maar dat leek hen niks uit te maken. Ik voelde me helemaal geaccepteerd door deze mannen. Nog wat blikken over en weer voordat zij in de auto stapten. Geen geflirt, gewoon, snoeiafvalwegbrengers onder elkaar. Ik voelde hoe de testosteron door mijn aderen stroomde.

Nadat ik eindelijk mijn tien zakken had uitgeschud en de lege vuilniszakken bij het ‘restafval brandbaar’ had gedumpt (op goed geluk, ja die testosteron maakte me een beetje roekeloos), reed ik heel tevreden met mezelf naar huis. Dat was weer een klus geklaard. Misschien als ik weer thuis was kon ik nog een gat boren ergens. Of een tuinhuis in elkaar timmeren ofzo. Ja deze Vrouw Alleen Zonder Man In Huis, die redde zich best.


Verschenen in de Padma Nieuwsbrief oktober 2016

column

‘Hebben ze mekaar al?’

Naast mij op het terras zit een man alleen aan een tafeltje. Net als ik. Hij drinkt witbier en leest het AD. Ik zit aan de witte wijn en lees in mijn boek dat ik net uit de bieb heb gehaald. De zon schijnt, het is warm, de zomer doet alsnog zijn best er iets van te maken. Geroezemoes en flarden muziek sijpelen mijn oren binnen, terwijl ik mij probeer te concentreren op mijn boek, waarvan ik na drie zinnen al weet dat ik het niet ga uitlezen.

Ik zit graag alleen op het terras. Je hoeft nooit te overleggen wie er in de zon gaat en wie in de schaduw. Of wat we zullen drinken. (Ik tegen mezelf: ‘Zullen we wijn doen?’ ‘Ja lekker, doe maar wit’). Niemand die je vermoeit met saaie verhalen (oké behalve dan die van jezelf in je hoofd). En niet te vergeten: alle bitterballen voor jezelf (#allebitterballenvoorjezelf).

Als je alleen op een terrasje zit vallen je al snel andere mensen op die alleen zitten. Ik voel dan meteen een verbondenheid, terwijl ik die mensen niet ken, en niet eens weet of ik ze wel mag of dat we iets gemeen hebben. Van binnen woedt dan de merkwaardige strijd tussen de behoefte aan contact (en nieuwsgierigheid) en de angst voor … ja, voor wat eigenlijk? Een ellenlang en vermoeiend relaas van de persoon in kwestie misschien? De vrees dat, als je eenmaal gevangen bent in zo’n gesprek, er geen uitweg meer mogelijk is?

De man aan het tafeltje naast mij kijkt op van zijn krant om naar de voorbijgangers te kijken. Ik voel dat hij contact met mij wil maken. Wil ik dat wel? (Kom op Karin, doe es gek.) Vanuit mijn ooghoeken probeer ik hem in te schatten. Een man van een jaar of zestig. Grijzend stekelig haar. Een flink postuur, zijn rode shirt spant om zijn buik.

Wat doet deze man hier op een doordeweekse middag op een terras? Heeft hij een vrije dag? Of heeft hij geen werk? Is hij getrouwd? Waar is zijn vrouw? Is hij weleens eenzaam? In wat voor huis woont hij? Ik stel me voor dat een paar jaar geleden zijn vrouw is overleden. Nu woont hij alleen in een huisje aan de rand van het centrum. Het huisje heeft kleine raampjes waardoor het altijd een beetje donker is binnen. Hij heeft drie katten en een paar vogels. ’s Ochtends gaat hij altijd vissen (‘dan bijten ze graag’), en ’s middags dri…‘En hebben ze mekaar al?’, vraagt hij lachend. Ik schrik op. Hij knikt naar mijn boek. Hij mist een voortand zie ik nu. Daardoor slist hij een beetje.
‘Haha nee, dat duurt nog even.’ (Het is een dik boek).
‘Wat bent u aan het lezen, als ik vragen mag?’
Ik laat hem de voorkant van mijn boek zien.
‘O wat leuk, u leest een boek uit de bieb. Zo weinig mensen lezen nog hè. Ik heb dertig jaar geleden voor het laatst een boek gelezen. O, wat erg.’ Hij slaat zijn hand voor zijn mond.
‘Schandalig’, zeg ik.
‘Ik neem er de tijd niet voor. Het is de gejaagdheid hè, van tegenwoordig. Heeft u daar geen last van?’
‘O jawel, jaja.’
‘Ah, je moet zoveel tegenwoordig. Moet je Venus en Mars lezen enzo. En vijftig tinten grijs.’
O wacht, welke kant gaat dit op? In mijn hoofd zoek ik alvast naar ontsnappingsmogelijkheden. Maar het blijkt vals alarm.
‘Da’s allemaal niks hoor’, gaat hij verder. ‘ Tien jaar geleden heb ik een boek gekocht met honderd wetenschappelijke weetjes. Toen las ik bijvoorbeeld dat op het noordelijk halfrond lage drukgebieden linksom draaien, en op het zuidelijk halfrond rechtsom. Net als in je wastafel. Had ik weer wat geleerd. Dat boek heb ik tien jaar geleden gekocht. Ik heb het nog niet uit.’
‘Dan doet u er lekker lang mee.’
‘Jaja, dat wel.’
Zweetdruppeltjes parelen op zijn voorhoofd. Er valt een stilte. Ik kijk naar de voorbijgaande mensen.
‘U hoeft niet te werken?’ vraagt hij dan.
‘Vandaag niet nee.’
‘Maar altijd niet?’
Ik snap zijn vraag niet helemaal.
‘Eh…nou…op dinsdag ben ik altijd vrij.’
‘O, zo bedoel ik het niet hoor.’ Hij schrikt er zelf van ‘Dat gaat me niks aan. Privacy enzo. Nou ik zal u verder niet lastig vallen. Kunt u weer rustig in uw boek lezen.’

Ons gesprek lost weer op in het geroezemoes om ons heen. We lezen allebei verder. Twee vreemden op een terras. Heel even verbonden door een boek.

Tien minuten later staat hij op.
‘Dag hoor’, zegt hij met vriendelijke lach.
‘Fijne dag nog’, zeg ik en ik kijk nog even in zijn ogen. Grijsblauw zie ik.
Daar loopt hij, naar zijn huis met de katten en de vogels denk ik. Misschien om in zijn boek met honderd weetjes lezen. En morgenochtend weer vissen.

Ik bestel een portie bitterballen.

 


Verschenen in de Padma Nieuwsbrief september 2016

column

Een lang, lang veld

Half wakker probeer ik te bedenken wat er aan de hand is. Er is iets. Ik moet iets doen. Maar wat.

Langzaam dringt het tot me door. Ik moet heel erg plassen. Ik moet nu naar de wc.

Ik lig met mijn dochter in een tent op een camping aan de kust van Bretagne. We hebben werkelijk het mooiste plekje van de hele camping. De camping ligt aan zee en is langgerekt. We staan helemaal aan het einde, vlak aan zee. Met een schitterend uitzicht over de Atlantische Oceaan.

Helaas heeft dit mooie plekje één nadeel. Het is een heel eind lopen naar de wc’s. Een heel eind. Over een lang veld. Een lang, lang veld. Met veel tenten en caravans. Aan beide kanten. En dat betekent iedere morgen het ondergaan van het goedemorgen/bonjour-ritueel. Met uiteraard de bijbehorende dilemma’s, zoals: als je langs al die tenten loopt, zeg je dan goedemorgen tegen iedereen, of pik je willekeurig wat mensen uit? En dan op de terugweg, zeg je dan weer goedemorgen, of hoeft dat dan niet meer? Of alleen tegen de degenen die je op de heenweg hebt gemist?

Ik moet echt vreselijk plassen nu. Dus daar ga ik. Joggingbroek aan, sweater aan, slippers aan. En o ja, vergeet de wc-rol niet. Ik stop ‘m in mijn broekzak, maar het is een nog nauwelijks gebruikte rol, dus dat levert een grote bobbel op. Geen gezicht. Ik besluit hem dan toch maar in mijn hand te houden.

Ok, let’s go.

Ik loop over het veld. Het is al negen uur geweest, dus de meeste mensen zijn al  wakker en zitten aan het ontbijt. Zal ik gewoon doorlopen en doen alsof mijn neus bloedt? Dat is een aantrekkelijke optie. Sommige mensen zijn daar natuurtalenten in. Ze lopen gewoon stoïcijns door alsof er niks aan de hand is, op zo’n manier dat je – als degene die bij de tent of caravan zit – geen moment het idee krijgt: wat is die persoon een asociale hufter. Het ziet er allemaal heel normaal en vanzelfsprekend uit. Maar op de een of andere manier lukt mij dat niet. Als ík dit zou doen zou ik eruit zien als iemand die net een pakje kauwgom bij de drogist heeft gejat. Kortom, geen optie. En ik ben een beleefd persoon. Netjes goedemorgen zeggen, dat wil ik.

Ik loop richting de eerste tenten. Ah, aan de linkerkant het oudere Nederlandse echtpaar. Die zeggen altijd wat. Of je nou wil of niet. Altijd vriendelijk. Fijn om daarmee te beginnen en er een beetje in te komen. Ongeveer een meter voor de tent een blik hun kant op. Oogcontact. ‘Goedemorgen’, met daarbij een glimlach, die niet eens heel gemaakt voelt. Ik vind ze namelijk oprecht aardig. Twee hartelijke goedemorgens terug.

One down. Een heleboel to go.

Ondertussen heb ik aan de rechterkant een Frans gezin gepasseerd, ongegroet. Aangezien het fysiek haast onmogelijk is om al lopende beide gezinnen, zowel links als rechts, te groeten (hoewel dat, toegegeven, ook van de loopsnelheid afhangt), zullen zij dat ook vast begrijpen en hoef ik mij hier verder niet schuldig over te voelen.

Ik nader het volgende gezin aan de linkerkant. Of eigenlijk gezinnen, allemaal Nederlands. Het zijn drie tenten op een rij die bij elkaar horen. Dat wil zeggen, het zijn gezinnen (met heel veel kleine kinderen) die veel bij elkaar zitten. Of ze elkaar al van te voren kenden of ter plekke het contact hebben gesmeed, dat weet ik eerlijk gezegd niet. Maar wat doet het ertoe. Ze zitten nu alweer bij elkaar, wat het groeten er niet makkelijker op zal maken. Heeft waarschijnlijk iets te maken met hoe groter de groep, hoe meer buitengesloten je voelt.

Maar maakt niet uit. Ik ga ervoor. Ze zitten allemaal bij de laatste van de drie tenten, dus de eerste twee kan ik overslaan. Dat geef me de tijd de rechterkant mee te nemen. Een caravan, niemand te bekennen. Ook bij de tent iets verderop ziet het er leeg uit. Ik voel m’n schouders ontspannen. Ha, lekker even een flink aantal meters om groetloos en onbezorgd door te kunnen lopen. Dan ben ik bijna bij de tent met de drie gezinnen. Hippe mensen, met baarden en dikke brillen (de mannen) en lang haar en knappe gezichten (de vrouwen). Superschattige kinderen ook.

Nu komt het erop aan. Met welke van deze mensen maak ik oogcontact? Kies ik er één uit en blijf ik die aankijken totdat die terugkijkt? Da’s misschien een beetje weird. Of scan ik snel langs alle gezichten, heen en weer terug, totdat er iemand is die terugkijkt? Ik kies voor de laatste optie. Mijn blik glijdt, vrij natuurlijk al zeg ik het zelf, over de groep. Ze zijn druk in gesprek. Ik ben nu halverwege de tent. M’n blik glijdt weer terug. Dan, bingo! De man met het grijze haar en het grijze baardje kijkt me aan. Nu moet ik snel zijn. ‘Mogge’ zeg ik (goedemorgen zou te lang zijn in deze situatie). Ik doe er ook meteen een knikje bij. Hij glimlacht vriendelijk maar zonder iets te zeggen. Was mijn ‘mogge’ niet duidelijk genoeg? Zit mijn haar raar?  Of is het misschien gewoon een glimlacher in plaats van een goedemorgen-zegger?

Geen tijd om daar verder over na te denken, de volgende tenten dienen zich al aan. Ik passeer links en rechts een aantal Nederlandse gezinnen, een paar Franse en ook nog een Brits gezin.  De goedemorgens en bonjours gaan vrij soepeltjes over en weer. Ik word hier nog eens goed in denk ik tevreden bij mezelf. Helaas zat er ook een duidelijke negeerder tussen. Een Nederlands, jong stel. Er was oogcontact met de vrouwelijke helft, een duidelijk gearticuleerd goedemorgen van mijn kant, en dan: een afgewende blik van haar kant. Niet per ongeluk, nee het was een duidelijk en ferm statement: jou groet ik niet. Van dit soort situaties raak ik altijd een beetje van slag.

Maar godzijdank, bereik ik dan eindelijk de wc’s. Uitgeput van zoveel sociale interactie, al zo vroeg op de dag, zijg ik op de wc-pot neer. Uiteraard niet voordat ik deze zorgvuldig bekleed heb met meerdere toiletpapiertjes.

Na het plassen loop ik over het veld terug, doelgericht maar nonchalant (wat nog een moeilijke combinatie is). Het groeten is gedaan, de wc-rol is nauwelijks kleiner (geen reden voor gegeneerde blikken), ik kan me ontspannen. Hoewel, bij één van de tenten waar op de heenweg niemand te zien was, zie ik nu de vader van het gezin de tafel dekken. Wat nu? Deze toch maar even erbij doen? De vader is echter zo druk bezig dat hij mij niet opmerkt. Prima zo. Hoewel, dit wordt misschien nog wel een probleem later op de dag, want wat dan te doen met die ongegroete gevallen?

Bezweet kom ik bij onze tent aan. Even later zie ik mijn dochter aan komen lopen.
‘Waar kom jij vandaan?’ vraag ik.
‘Ik was naar de wc.’
‘Wat gek,  ik ben je helemaal niet tegengekomen.’
‘O, ja dat klopt’, antwoordt ze, ‘ik ben even omgelopen. Hoefde ik tenminste niet over dat veld. Langs al die tenten enzo. Wat zie jij er trouwens bezweet uit!’


Verschenen in de Padma Nieuwsbrief augustus 2016

column

Laat die peren maar weg

Ik hoor een kloppend geluid. Het lijkt wel of er iemand op de verwarming tikt. Ineens besef ik dat het mijn moeder is die boven op bed ligt.

Het is november 2010. Mijn moeder is stervende. Volgens de artsen heeft ze nog hooguit een week te leven. Mijn zus en ik zijn bij mijn vader om samen met hem mijn moeder te verzorgen.

Ik stuif naar boven. Daar zie ik een klein mensje zitten, rechtop in bed. Haar haren in de war, paniek in de ogen.
‘Waar is ons pa?’
‘Die is even boodschappen doen, hij komt zo terug.’
Half gerustgesteld zakt ze in de kussens terug. Ik ga naast haar op het bed zitten. Mijn hand leg ik op haar hoofd en ik streel zachtjes over haar dunne grijze haar. Het voelt ongemakkelijk. Wij hadden nooit veel fysiek contact. Ik voel dat zij het ook ongemakkelijk vindt. Maar ik weet niet wat anders te doen. Ik wil contact. Ik wil een diepgaand laatste gesprek met mijn moeder. Zoals mensen hebben op sterfbedden. Over het leven, over de dood, over ons. Ik wil zeggen dat ik heel erg van haar houd. Dat ik heel erg verdrietig ben dat ze dood gaat. Maar die woorden aarzelen. Die woorden zijn hier nog nooit geweest. Ze weten de weg niet en voelen zich misplaatst. Even later zijn ze weer verdwenen. Ik aai nog maar een keer over haar haar. ‘Pa komt zo terug. Ga maar weer lekker slapen.’

’s Middag is er familiebezoek. Er is koffie, er is thee, er is wijn. Er wordt gelachen. Hier en daar vloeit een traan. Mijn oom zit aan haar bed en merkt in zijn wanhoop op dat het allemaal toch wel k.u.t. met peren is. ‘Laat die peren maar weg,’ klinkt het typerende antwoord vanonder het dekbed.

Na het bezoek zit ik bij haar. Ik kijk naar haar slapende gezicht, dat er alles behalve vredig uitziet. Ik zet de CD op die ik inmiddels uit mijn hoofd ken. ‘Deep Peace’ klinkt. Dat gun ik haar. Mijn lieve moeder die het leven soms moeilijk vond, maar dat aan zo min mogelijk mensen liet merken. Mijn lieve moeder die zich met haar vrolijk-cynisme staande probeert te houden.

’s Nachts als ik in bed lig hoor ik dat mijn vader mijn moeder naar de wc brengt. Ik zie voor me hoe haar arm over zijn schouder hangt. De arm van mijn vader achter haar langs om haar te ondersteunen. Langzaam bewegen ze richting wc. En zachtjes hoor ik mijn moeder zingen: ‘De pa-ha-haden op, de la-ha-hanen in’. Ik glimlach en ik moet huilen.

Verschenen in de Padma Nieuwsbrief juli 2016

column

Jouw Duits is beter

‘Drie keer achttien kilometer, dat kan jij wel toch?’

Mijn zus wil drie dagen gaan wandelen op een stuk van de Maas-Niederrheinroute in Duitsland. Ze vraagt of ik zin heb mee te gaan.

‘Ik heb geboekt via een organisatie die alles heeft geregeld. Onze hotels zijn geboekt. Onze bagage wordt vervoerd. En we worden op het eind weer naar onze auto teruggebracht met de taxi.’
‘Is dat niet heel decadent?’
‘Ja’
‘Oké!’

Ons optimisme wordt in de dagen erna echter danig op de proef gesteld door reacties uit onze omgeving.
‘Achttien kilometer? Dat is ver!’
‘Nou ik weet niet of ik dat zou kunnen hoor!’
‘Heb je wel getraind dan?’

Eh, nee. Ik begin ook te twijfelen. Heb ik ooit in mijn leven wel eens achttien kilometer gelopen eigenlijk? Herinneringen aan wandelingen tijdens kampeervakanties doemen op, met hongerklop, gutsend zweet, blaren en chagrijn. En dat was niet eens achttien kilometer, dat weet ik zeker.

Snel gaan we in de week voor ons vertrek nog wat trainen. Ieder voor zich want we wonen niet bij elkaar in de buurt. We appen druk heen en weer over onze bevindingen.
‘Vandaag elf kilometer gelopen, ik was k.a.p.o.t !’
‘Ik heb nieuwe wandelschoenen gekocht. Kut, lopen voor geen meter!’
‘Dat gaat nooit lukken man. Wiens idee was dit eigenlijk?’

Op de ochtend van ons vertrek vegen we echter al onze restjes optimisme bij elkaar en zijn we vol goede moed.
‘Dit gaan we doen hè?’
‘Ja man, dit gaan we fixen!’
‘We gaan het avontuur tegemoet!’
‘Yeah, let’s go!’

Na een autorit van anderhalf uur checken we in bij het eerste hotel. Een schattig ‘gasthaus’. Helaas wel met eigenaren van het type ‘een hotel runnen is mijn lust en mijn leven maar jammer van die gasten.’ Een verschrompelde welkomstappel op de fruitschaal in onze kamer als treffende illustratie.

Na het inchecken moeten we ruim een uur wachten op de taxi die ons naar het vertrekpunt brengt. We drinken koffie op het terras.
‘Moeten we deze koffie nu betalen denk je, of zou dat gewoon bij de rekening kunnen?’
‘Kweenie. Ga eens vragen’
‘Nee jouw Duits is beter’
‘Niet’

Onze taxi is keurig op tijd en brengt ons naar het startpunt. Bewapend met routebeschrijving, kaart en GPS gaan we op pad. Niemand maakt ons wat.

Na ongeveer een kilometer lopen krijg ik al last van mijn linkerheup. O nee, denk ik. Daar heb je het al. Visioenen van een taxi in het Duits bestellen en dan uitleggen waar we zijn, verschijnen in mijn hoofd. Zouden taxichauffeurs raad weten met GPS-coördinaten? Maar na ongeveer een uur lopen verdwijnt de pijn weer. Mijn zus heeft ondertussen pijn aan haar voet gekregen. Ik heb pijn aan mijn enkel, mijn zus in haar knie. Maar we lopen door. De pijntjes zijn een rondreizend circus. Dan verschijnen ze hier, dan weer daar.

We lopen door bos, door schattige dorpjes, langs akkers. Héél véél prachtige akkers met felgele koolzaadbloemen. We houden het tempo rustig. We lijken twee bejaarden op weg naar de buurtsuper. Het gaat niet snel maar wel gestaag. De pijn in de voeten van mijn zus blijkt helaas hardnekkig. Ze besluit de onderkant van haar voeten af te plakken met Hansaplast. Dat gaat niet zomaar. Mijn zus heeft haar google-huiswerk goed gedaan. Het blijkt een heel precies werkje met dakpansgewijs aanbrengen enzo van de stroken tape.

Het afplakken blijkt te helpen en het laatste stukje verloopt zonder problemen. Uiteindelijk komen we na vijf en half uur lopen aan bij ons hotel.
‘We hebben het gehaald!’
‘Appeltje eitje!’
‘Ik kan er nog wel tien!’

We high-fiven en jubelen alsof we de top van de Mount Everest gehaald hebben. Gelukzalig zijgen we neer op het terras. Al bierdrinkend feliciteren we ons met deze overwinning. We bespreken vast de volgende dag voor en allerhande levenszaken, waarover ik hier helaas niet kan uitweiden. Op luide toon, want dat doet bier met je, en hé wie verstaat je nou in Duitsland? (Nou, misschien wel die Duitse mevrouw die na enige tijd met een bedenkelijke blik onze kant op kijkt. Note to self: dildo is mogelijk een internationale term.)

Van al dat bier krijgen we honger. We lopen het restaurant binnen en zoeken een leuk plekje uit.
‘Wir willen gerne was essen. Können wir hier sitzen?’ vraag ik in mijn beste Duits (wat tevens mijn slechtste Duits is).
‘Nein, die sind reserviert’, waarna we in een hoekje van het restaurant geplaatst worden. Aan de zogenaamde gereserveerde tafeltjes zien we de rest van de avond niemand.

Ik neem een knakworst, een hele grote. Mijn vegetarische principes blijken in Duitsland flinterdun. Mijn zus neemt iets met aardappelen. Na het eten zitten we bomvol.
‘Ik hoef geen toetje hoor’
‘Nee ik ook niet’

Vijf minuten later gooit de serveerster twee bordjes met ijs en warme kersen op onze tafel.
‘Eh…’
We zijn te verbouwereerd om te protesteren.
‘Gaan we dit opeten?’
‘Maar ik zit vol’
‘We kunnen het niet laten staan. Ik ga het gewoon eten hoor’
‘Maar misschien is het een vergissing. Zitten we het toetje van een ander op te eten’
‘Mmm. Ga jij dan even vragen of het wel voor ons is’
‘Nee doe jij maar, jouw Duits is beter’
‘Niet’

Mijn zus blijkt de moedigste en gaat het vragen. Het toetje blijkt voor ons, het zat blijkbaar in het pakket. We eten het braaf op.

‘Wie spät wollen Sie das Frühstück?’, vraagt de hoteleigenaar, voor we naar onze kamer vertrekken. ‘Acht Uhr’, zeg ik, want we willen de volgende dag op tijd vertrekken. De man kijkt me aan alsof hij water ziet branden. ‘Zu spät?’ vraag ik met een piepstemmetje. ‘Nein’. Hij schudt zijn hoofd over zoveel domheid. Acht uur blijkt een beetje te früh voor het Frühstück. ‘Halb nein?’ stelt hij voor. ‘Ja is gut!’ roep ik, opgelucht dat het Frühstück probleem is opgelost. We willen toch niet dat die arme hotelmensen zo vroeg voor ons moeten opstaan.

Het ontbijt blijkt een nieuwe bron van stress. We hebben vier broodjes en een paar boterhammen. Moeten we hier ook onze lunch van smeren? Zouden ze wel weten dat we ook een lunchpakket horen te krijgen.
‘Ga jij het eens vragen’
‘Nee doe jij maar, jouw Duits is beter’
‘Niet’

We hebben geen van beiden de moed om het te gaan vragen aan de hoteleigenaar die al zo früh voor ons moest opstaan. We besmeren de boterhammen die in het mandje liggen. Het moet maar genoeg zijn. We hebben tenslotte ook nog koeken, nootjes en dropjes.

Onze spullen zijn gepakt en mijn zus zit beteuterd op het bankje in onze hotelkamer.
‘Ik zie het echt niet zitten hoor. Mijn voeten doen ontzettend veel pijn’
‘Nou als het niet meer gaat bellen we een taxi hoor’
‘Ok is goed’
‘Bel jij die dan?’
‘Nee jij jouw Duits is beter’
‘Niet’

Met de beplakte en betalkte voeten van mijn zus gaan we op weg. Ik heb er zin in. Het weer is heerlijk en de omgeving is schitterend. Duitsers blijken superaardige mensen. Iedereen, echt iedereen die we tegenkomen groet ons vriendelijk. Ik, doorgaans niet de meest sociale persoon en al helemaal niet ’s ochtends, roep opgewekt tegen iedereen die we tegenkomen:
‘Gutemorgen!’
‘Hallo!’
‘Gutentag!’

Het lopen gaat voorspoedig. Als een wonder heeft mijn zus nauwelijks last meer van haar voeten.
‘Zie je, je moet je niet zo’n zorgen maken van te voren. Je weet nooit hoe de dingen lopen’
Dan gaat mijn telefoon. Het blijkt de eigenaresse van ons volgende hotel. Ze zijn overboekt. Maar ze hebben een ander hotel voor ons geregeld. De vrouw put zich uit in excuses.

De rest van de wandeling dwalen onze gedachten regelmatig af naar straks. Hoe moet dat met de bagage? En hoe komen we morgen weer terug op de route? En hoe zit dat met de afrekening?

Halverwege de middag komen we aan bij het overboekte hotel. De eigenaresse blijkt alles voor ons geregeld te hebben. De bagage, het vervoer, de afrekening, alles is keurig geregeld. Het andere hotel blijkt ook nog een veel charmantere plek. Nee, je weet inderdaad nooit hoe de dingen lopen.

Het bier en het eten smaakt ons goed. Het is een fijn hotel, op één uitzondering na. Als we ‘s avonds in bed liggen horen we een irritante harde brom. Waarschijnlijk een koelinstallatie of iets dergelijks.
‘Zo kan ik niet slapen hoor’, klaagt mijn zus.
‘Je moet je gewoon voorstellen dat het de motor van een cruiseschip is en dat we nu de haven uitvaren‘ zeg ik monter.
‘Mmmm’

Even later hoor ik mijn zus zachtjes snurken. Ik lig nog klaarwakker.
Kutschip.

‘s Ochtends staat er een heerlijk verzorgd ontbijtje. Klaargemaakt met aandacht. Dat voelt als een warme deken. Verse broodjes, verse jus. Een eitje. De vriendelijke hoteleigenaar die vraagt of we nog wat nodig hebben. Ja zo hoort een hotelontbijtje te zijn. Het zit ‘m in de details. Zo staan alle potjes jam en honing met de etiketjes dezelfde kant op. Mijn obsessief compulsieve ikje slaakt van binnen zachtjes een zucht.

Ook de derde dag, de warmste dag, verloopt zonder veel problemen. Het is weer een schitterende wandeling, door bos en langs meertjes. We halen het eindpunt en nemen de taxi terug naar ons eerste hotel waar onze auto staat.

In de auto terug naar huis voelen we nog de gloed na van de zon, de mooie natuur, de vriendelijke mensen en onze diepe gesprekken. En ach, die drie keer achttien kilometer bleek peanuts. Nee, de menselijke interacties, de sociale situaties, die zorgen in onze familie voor de verhoogde stressniveaus. Aangewakkerd door de expressie van het sorry-dat-ik-besta-let-maar-niet-op-mij-gen. En dat maal twee. Maar, zo concluderen we allebei, we voelen hierin ook duidelijk het voordeel van ouder worden. Je ziet het gen in actie en je kunt erom glimlachen. En met een paar glazen Duits bier zelfs om schaterlachen. De uitwerking van een ander gen. Maal twee.