Browsing Category

fictie

column, fictie

Troostboom

Ik lig hier omgevallen

In het water op m’n rug

Mijn takken als open armen

Kom hier maar zitten

Op het zachte mos

 

Het is niet erg

Dat je het niet weet

Laat je warme tranen

Vallen in het koude meer

Roerloos blijf ik hier liggen

 

Niets vraag ik van je

Leven hoef je niet te doen

Ik draag jou in de stilte

Totdat je zelf ziet

‘Die stilte dat ben ik’

fictie

Zeven minuten

‘Living next door to Alice’. Hoe vaak had hij dat liedje nu al gehoord sinds hij regelmatig naar dit café ging? Driehonderdvierenzestig keer om precies te zijn. Twee cd’s hadden ze hier. Eentje met de hits van de jaren 70. En een verzamel cd van Boney M. Na Smokey kwam Mud en daarna Queen. Als hij nou snel zijn biertje opdronk zou hij niet naar die Boney M cd hoeven luisteren. Maar hij moest nog een biertje drinken want hij had er nu drie op. Meestal dronk hij er vier. Of zes. En heel soms als hij echt in een depressieve bui was acht.

Op zijn tafeltje lagen drie viltjes. Hij voelde al hoe hij sneller ging ademen en zijn hart sneller ging kloppen. Hij probeerde de viltjes zo lang mogelijk te negeren maar uiteindelijk legde hij zo onopvallend mogelijk het derde viltje op het tafeltje ernaast. Daar lag er maar één, nu dus twee. Langzaam voelde hij zich rustiger worden.

Hij had trouwens ook een beetje honger. Misschien kon hij om een bakje pinda’s vragen. Want hij had niks gegeten die ochtend. Normaal at hij iedere ochtend twee sinaasappels. Maar tot zijn schrik zag hij dat één van de twee sinaasappels die nog in de fruitschaal lag, helemaal verrot en beschimmeld was. Nu moest hij er één eten. Dat was teveel gevraagd. Hij had geprobeerd om de sinaasappel door midden te snijden en de twee helften op de fruitschaal te leggen, om ze vervolgens helft voor helft op te eten. Dan waren het er toch min of meer twee. Maar zo gemakkelijk ging het niet. Hij bleef maar naar de twee helften staren, die hij als één sinaasappel bleef zien. Toen is hij maar direct naar het café gegaan.

Pete, John, Ron en Ralf zaten er al. Allemaal aan een biertje, in hun eigen wereldje. Samen wisselden ze weleens wat woorden maar meestal staarden ze een beetje in hun glas. Ho, daar was Queen al. Snel dronk hij zijn glas leeg. Hij wilde net naar de bar toelopen om zijn vierde biertje te bestellen toen een vrouw het café binnenkwam. Een keurige vrouw, van een jaar of zestig, met een nette rok en bloes en zelfs een parelketting. Heel gedecideerd liep ze naar de bar, legde een biljet van 50 euro op de toonbank en zei: “Seven minutes for a fuck. Not a minute longer.”

Wat? Hoorde hij dat goed? Zei ze nou ‘fuck’? Of was het ‘duck’? Maar zeven minuten voor een eend, dat sloeg nergens op. Ze had echt ‘fuck’ gezegd. Ook de andere mannen zag hij verbaasd naar elkaar kijken alsof zij niet konden geloven wat ze hoorden. De vrouw beende in één keer door naar de wand met kamersleutels. Het was duidelijk dat ze precies wist waar ze mee bezig was. Hij was een beetje bang voor de vrouw. Maar stiekem vond hij dat ook wel opwindend, zo’n vrouw die precies wist wat ze wilde.

Zou hij het durven, het biljet pakken en naar haar kamer gaan? De vrouw pakte een sleutel. ‘I’ll be in room six’. Kamer zes. Dat was in ieder geval gunstig. Misschien was dat wel een teken. Ja, dat moest wel. Hoe lang was het al geleden dat hij iets met een vrouw had gedaan? Misschien wel twintig jaar. Zou hij het nog wel kunnen? Nou ja, zoiets verleer je toch niet. Liever was het een lekker wijf, maar ja, je kon niet alles hebben in dit leven. Ja, dacht hij, ja ik ga dit doen! In een zeldzame bui van daadkracht maakte hij aanstalten om op te staan. Tegelijkertijd zag hij ook de andere mannen langzaam in beweging komen. Hij zou nog snel moeten zijn. Hij schoof zijn stoel naar achteren, strekte zijn benen en wilde naar de bar lopen.

Maar WACHT! Ze had gezegd zeven minuten. ZEVEN. Trillend ging hij weer zitten. Waarom nou geen acht of zes. ‘Geen minuut langer.’ Acht minuten was dus uitgesloten. Maar wat nou als het er zes waren? Zou dat wel mogen? Ze was wel heel streng. Maar misschien wilde ze wel een uitzondering voor hem maken. Natuurlijk zou hij dan een deel van het geld teruggeven. Snel probeerde hij uit te rekenen hoeveel één zevende van vijftig was. Zeven keer zeven is 49. Dus nog een euro gedeeld door zeven was… Shit, hij zag hoe Pete van zijn kruk opstond, snel het biljet weggriste en triomfantelijk naar de gang met kamers liep.

Te laat.

Hij was te laat. Zo ging het nou altijd in zijn leven. Nooit kon hij eens iets spontaans doen. Altijd moest hij maar wikken en wegen, denken en piekeren. Gek werd hij ervan. ‘The Rivers of Babylon’ klonk al. Weet je wat, dacht hij, ik ga nú naar huis. Zonder het vierde biertje te bestellen. Ja dát ging hij doen. En als hij thuis was ging hij alsnog die twee sinaasappelhelften opeten.

Hij betaalde zijn drie biertjes en liep naar buiten, de zon in. Een beetje rillerig, dat wel. Zijn hart klopte in zijn keel. Toch liep hij door. En terwijl hij met grote passen richting zijn huis beende, voelde hij hoe de zon zijn kale kruintje verwarmde.


Geschreven tijdens de Workshop Creatief Schrijven van Schrijven en Schrappen

fictie

Kerstverhaal

De Kerstman zat op de rand van zijn arrenslee en stak een sigaret op. Over een half uurtje zouden de rendieren weer terugkomen van hun pauze en dan moesten ze de arrenslee inpakken en weer gaan. Maar hij had eigenlijk helemaal geen zin. Hij was moe. Zó moe. Hij zag er elk jaar weer tegenop om zich in dat pak te hijsen en met die slee rond te rijden. En de laatste jaren werd het alleen maar erger. Hij deed het ook al zo lang en het werd gewoon steeds minder leuk. Ieder jaar was het een paar weken keihard buffelen en dan de rest van het jaar had hij niks te doen. Ja, een beetje onderhoud plegen aan de arrenslee en wachten totdat het weer december werd. Er was ook echt geen zak te doen daar op die Noordpool.

Maar wat de Kerstman erger vond, de mensen waren tegenwoordig zo snel ontevreden. Vroeger kon je ze nog met heel weinig blij maken. Nu was het al snel te weinig of niet goed genoeg. Bovendien hadden de mensen alles al. Daar kwam nog bij dat die Sinterklaas altijd een paar weken vóór hem overal langsging met cadeau’s. Wat haatte hij die arrogante gast. Het enige coole aan de Sint was dat paard. Die was echt tof. Hij had er weleens een biertje mee gedronken, echt lachen was dat met die knol. Ja dat paard was wel ok maar de rest… Zo’n jurk: echt, WAAROM? Echt superonhandig op een paard. En WTF is up met die aanstellerige staf? Ok, die Sint is al best oud, een jaartje of 500 of zo, maar hé, als je op een paard kan klimmen (in een jurk nog wel) en over daken kan rijden, dan kan je ook heus wel zonder staf lopen. Nee, de Sint en hij, dat klikte niet echt. Op het Hoofdkantoor hadden ze een paar jaar geleden nog heel voorzichtig een samenwerking voorgesteld. Maar noway, dat hij met die gast iets samen ging doen. Hij keek wel uit. Voor je het wist liep je zelf in zo’n achterlijke jurk. Maar dat was gelukkig niet doorgegaan.

Maar de Kerstman zou best eens wat anders willen. Als hij nou eens de cadeau’s kon rondbrengen in een warmere tijd van het jaar, dat zou al veel schelen. Maar dat was onbespreekbaar met het Hoofdkantoor. ‘Kerstmis is nou eenmaal in de winter, en je standplaats blijft gewoon de Noordpool’. Dat waren de kaders. Daarbinnen was wel ruimte voor vernieuwing. Sterker nog. Het Hoofdkantoor vond dat hij proactiever en innovatiever moest worden. Hij moest maar eens een voorbeeld nemen aan Sinterklaas. ‘Kijk eens hoe de zware pieten veranderen in gekleurde pieten.’ Ja hoor, alsof de Sint dat zelf bedacht had. Hij moest wel, hij had gewoon weinig keus.

Nee, het viel niet mee Kerstman te zijn in deze tijden. Altijd die verwende rotkinderen die op zijn schoot moesten zitten. Het leek wel of ze ieder jaar vervelender werden. Ging er maar eens een lekker wijf op zijn schoot zitten. Maar dat gebeurde helaas maar zelden. Of hij moest het zelf aan zo’n vrouw vragen. Dat had hij één keer gedaan. Maar dat werd niet echt gewaardeerd. Het was in ieder geval wel lekker proactief. Maar dat was vast niet wat ze daarmee bedoelden op het Hoofdkantoor.

Eén keer was hij echt zijn geduld verloren en had hij een jongetje een flinke draai om zijn oren gegeven. Toegegeven, dat was niet echt slim van hem. Maar dat rotjoch bleef maar aan zijn baard trekken. Ja, dan vráág je erom. Na dat incident had het Hoofdkantoor de Kerstman naar een cursus Anger Management gestuurd. Hij geloofde niet dat het veel geholpen had. Maar op het Hoofdkantoor waren ze tevreden, en hij was gelukkig niet ontslagen. Maar zo’n cursus was niks voor hem. Ze wilden alsmaar dat hij in contact kwam met zijn Innerlijke Zelf. Nou zijn Innerlijke Zelf had helemaal geen zin in contact te komen met wie of wat dan ook. Nee, dat Innerlijke Zelf kon je maar beter met rust laten. Dat was beter voor iedereen.

Maar vooruit, hij was ook de beroerdste niet. Hij kon best wel innovatief zijn. Zo had hij een keer voorgesteld geen rendieren maar ezels te gebruiken. Hij had ook sledehonden kunnen voorstellen, maar dat vond hij wel erg voor de hand liggen. Ezels dus. Hij had namelijk gehoord dat dat hele coole beesten waren. Misschien een beetje koppig, maar ze zeurden tenminste niet zo als die rendieren. Best wel innovatief al zei hij het zelf. Maar nee, dat vonden ze op het Hoofdkantoor geen goed idee. Het was toch meer van hetzelfde volgens hun.

Dus zat de Kerstman nog steeds met die rendieren opgescheept. Echt prima beesten hoor, harde werkers enzo, maar o, wat een gezeik had je daarvan. Ieder jaar weer dezelfde ruzies over wie, wanneer, hoe lang, voorop mag lopen. En altijd zeiken over het eten. Godallemachtig, het was gewoon niet te doen. Er was altijd wel wat.

O jee, daar kwam het eerste rendier alweer aanrennen: ‘Hee ouwe, het is toch mijn beurt om voorop te lopen? Ze willen dat ik wéér achter loop! Dat is toch niet eerlijk?’ Snel maakte de Kerstman zijn sigaret uit. O god, daar gaan we weer. Goed, veel keus had hij nu niet, hij moest er maar het beste van zien te maken. Maar hij nam zich voor dat dit de laatste kerst was als Kerstman. Daarna zou hij bij het Hoofdkantoor langsgaan en zijn ontslag indienen! Wat? Waar kwam die gedachte ineens vandaan? Hij schrok er zelf van. Maar het was ook best een fijne gedachte. Hij kreeg er zelfs een warm en tintelend gevoel van in zijn onderbuik. Of was dat de burrito van eerder die dag? Dat kon ook. In ieder geval voelde hij zich nu een stuk beter. Hij zette zijn muts op, knoopte zijn jas dicht en liep het rendier tegemoet.
‘Is Rudolph weer bezig?’