All Posts By

karinweterings

fictie

Zeven minuten

‘Living next door to Alice’. Hoe vaak had hij dat liedje nu al gehoord sinds hij regelmatig naar dit café ging? Driehonderdvierenzestig keer om precies te zijn. Twee cd’s hadden ze hier. Eentje met de hits van de jaren 70. En een verzamel cd van Boney M. Na Smokey kwam Mud en daarna Queen. Als hij nou snel zijn biertje opdronk zou hij niet naar die Boney M cd hoeven luisteren. Maar hij moest nog een biertje drinken want hij had er nu drie op. Meestal dronk hij er vier. Of zes. En heel soms als hij echt in een depressieve bui was acht.

Op zijn tafeltje lagen drie viltjes. Hij voelde al hoe hij sneller ging ademen en zijn hart sneller ging kloppen. Hij probeerde de viltjes zo lang mogelijk te negeren maar uiteindelijk legde hij zo onopvallend mogelijk het derde viltje op het tafeltje ernaast. Daar lag er maar één, nu dus twee. Langzaam voelde hij zich rustiger worden.

Hij had trouwens ook een beetje honger. Misschien kon hij om een bakje pinda’s vragen. Want hij had niks gegeten die ochtend. Normaal at hij iedere ochtend twee sinaasappels. Maar tot zijn schrik zag hij dat één van de twee sinaasappels die nog in de fruitschaal lag, helemaal verrot en beschimmeld was. Nu moest hij er één eten. Dat was teveel gevraagd. Hij had geprobeerd om de sinaasappel door midden te snijden en de twee helften op de fruitschaal te leggen, om ze vervolgens helft voor helft op te eten. Dan waren het er toch min of meer twee. Maar zo gemakkelijk ging het niet. Hij bleef maar naar de twee helften staren, die hij als één sinaasappel bleef zien. Toen is hij maar direct naar het café gegaan.

Pete, John, Ron en Ralf zaten er al. Allemaal aan een biertje, in hun eigen wereldje. Samen wisselden ze weleens wat woorden maar meestal staarden ze een beetje in hun glas. Ho, daar was Queen al. Snel dronk hij zijn glas leeg. Hij wilde net naar de bar toelopen om zijn vierde biertje te bestellen toen een vrouw het café binnenkwam. Een keurige vrouw, van een jaar of zestig, met een nette rok en bloes en zelfs een parelketting. Heel gedecideerd liep ze naar de bar, legde een biljet van 50 euro op de toonbank en zei: “Seven minutes for a fuck. Not a minute longer.”

Wat? Hoorde hij dat goed? Zei ze nou ‘fuck’? Of was het ‘duck’? Maar zeven minuten voor een eend, dat sloeg nergens op. Ze had echt ‘fuck’ gezegd. Ook de andere mannen zag hij verbaasd naar elkaar kijken alsof zij niet konden geloven wat ze hoorden. De vrouw beende in één keer door naar de wand met kamersleutels. Het was duidelijk dat ze precies wist waar ze mee bezig was. Hij was een beetje bang voor de vrouw. Maar stiekem vond hij dat ook wel opwindend, zo’n vrouw die precies wist wat ze wilde.

Zou hij het durven, het biljet pakken en naar haar kamer gaan? De vrouw pakte een sleutel. ‘I’ll be in room six’. Kamer zes. Dat was in ieder geval gunstig. Misschien was dat wel een teken. Ja, dat moest wel. Hoe lang was het al geleden dat hij iets met een vrouw had gedaan? Misschien wel twintig jaar. Zou hij het nog wel kunnen? Nou ja, zoiets verleer je toch niet. Liever was het een lekker wijf, maar ja, je kon niet alles hebben in dit leven. Ja, dacht hij, ja ik ga dit doen! In een zeldzame bui van daadkracht maakte hij aanstalten om op te staan. Tegelijkertijd zag hij ook de andere mannen langzaam in beweging komen. Hij zou nog snel moeten zijn. Hij schoof zijn stoel naar achteren, strekte zijn benen en wilde naar de bar lopen.

Maar WACHT! Ze had gezegd zeven minuten. ZEVEN. Trillend ging hij weer zitten. Waarom nou geen acht of zes. ‘Geen minuut langer.’ Acht minuten was dus uitgesloten. Maar wat nou als het er zes waren? Zou dat wel mogen? Ze was wel heel streng. Maar misschien wilde ze wel een uitzondering voor hem maken. Natuurlijk zou hij dan een deel van het geld teruggeven. Snel probeerde hij uit te rekenen hoeveel één zevende van vijftig was. Zeven keer zeven is 49. Dus nog een euro gedeeld door zeven was… Shit, hij zag hoe Pete van zijn kruk opstond, snel het biljet weggriste en triomfantelijk naar de gang met kamers liep.

Te laat.

Hij was te laat. Zo ging het nou altijd in zijn leven. Nooit kon hij eens iets spontaans doen. Altijd moest hij maar wikken en wegen, denken en piekeren. Gek werd hij ervan. ‘The Rivers of Babylon’ klonk al. Weet je wat, dacht hij, ik ga nú naar huis. Zonder het vierde biertje te bestellen. Ja dát ging hij doen. En als hij thuis was ging hij alsnog die twee sinaasappelhelften opeten.

Hij betaalde zijn drie biertjes en liep naar buiten, de zon in. Een beetje rillerig, dat wel. Zijn hart klopte in zijn keel. Toch liep hij door. En terwijl hij met grote passen richting zijn huis beende, voelde hij hoe de zon zijn kale kruintje verwarmde.


Geschreven tijdens de Workshop Creatief Schrijven van Schrijven en Schrappen

blog

Ikigai!

Een bekentenis: ik ben niet zo goed in het stellen van doelen in mijn leven. Je moet dan namelijk eerst weten wat je wil (daar begint het al), en dan moet je het ook nog in een doel omzetten (SMART zeker?), een plan maken om dat doel te bereiken (dat kan ik!) en je dan aan het plan houden (ok laat maar). Eerlijk gezegd, ga ik nogal doelloos door het leven. Maar je hoeft geen medelijden met me te hebben hoor. Het gaat verder goed met mij. Althans, dat ging het, totdat ik hoorde over de Zeeuwse Elementen. Dat zijn een soort handvatten voor een lang en vitaal leven, ontwikkeld binnen de Vitale Revolutie.

Stress

De vijf Zeeuwse Elementen zijn: blijf in beweging (lukt best aardig), eet gezond (ok misschien wat meer fruit), zorg op tijd voor ontspanning (yoga!), besteed veel aandacht aan je geliefden (check!) en…vind je doel in het leven. Eh… wat? Een doel in mijn leven? Waar vind ik dat? Hoe moet ik dat bereiken? En als ik dat niet kan bereiken? WAT DAN? Kortom, dit vijfde element veroorzaakte enige stress bij mij. En laten we eerlijk zijn: is al dat doelen stellen niet juist de oorzaak van veel ellende, van het verschijnsel dat de westerse mens vaak zo moe is? Gestrest, uitgeblust. Al dat streven, bereiken, presteren, targets halen… is dat niet juist waar we op afbranden met z’n allen? En nu ga je mij vertellen dat ik voor mijn welzijn een DOEL moet hebben in mijn leven? En behalen neem ik aan? Maar ik moet ook ontspannen, zeg je? Iets klopt er niet.

Power 9

Maar het bleek toch iets anders te liggen dan ik dacht. Daarvoor moeten we naar de oorsprong van dit vijfde ‘element’. De Vitale Revolutie is geïnspireerd op de Blue Zones. Dit zijn gebieden in de wereld waar mensen lang vitaal blijven en heel oud worden. De leefwijzen van deze mensen hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken, ook wel de Power 9 genoemd. De Zeeuwse Elementen zijn afgeleid van deze Power 9.

Ikigai

Eén van de Power 9 kenmerken is ‘having a purpose’, wat vaak vertaald wordt met ‘een doel hebben in je leven’. Inwoners van Okinawa (één van de Blue Zones) bijvoorbeeld, noemen dit ikigai, waarmee zoveel bedoeld wordt als: ‘de reden waarom je elke dag opstaat’, dat wat je leven zin geeft. Wat dat precies is heeft weer te maken met je waarden, je passies en je talenten. Het kan iets groots zijn of iets kleins. Dat maakt niet uit. Vaak heeft het te maken met het gevoel iets te kunnen bijdragen aan een betere wereld. En die wereld kan ook je directe omgeving zijn. Misschien is het wel in je werk de wereldvrede een stukje dichterbij brengen. Maar misschien is het ook wel je kinderen grootbrengen tot gelukkige volwassenen. Of met je kunst mensen ontroeren. Weten wat je ikigai is (en daarnaar leven) zorgt voor een kleinere kans op hart- en vaatziekten en daarmee voor een langer leven. (En ongetwijfeld een gelukkiger leven.)

Betekenis

Met dit verhaal erachter begon ik het te snappen. In het Engels wordt ikigai vaak vertaald als ‘purpose’. Maar in het Nederlands is hier eigenlijk geen woord voor dat de lading helemaal dekt. ‘Purpose’ wordt dan vaak vertaald als ‘doel’. Maar dat woord heeft voor sommige mensen (in ieder geval voor mij) toch een andere lading. Bij doelen denken mensen vaak aan dingen als: over twee jaar de marathon lopen, stoppen met roken of je rijbewijs halen. Maar daar gaat het hier niet over. In de context van een vitaal leven heeft ‘purpose’ meer de betekenis van ‘bedoeling’, ‘zin’, ‘betekenis’. ‘Doel’ klinkt als iets dat je moet bereiken, waar je naar toe moet werken, iets dat inspanning kost. ‘Purpose’ of ‘ikigai’ is iets dat er al is, je hoeft het alleen maar te herkennen en dan aandacht te geven in je (dagelijkse) leven.  Maar laten we er geen taalkwestie van maken. Het is prima om het doel te noemen, zolang we weten wat we daarmee bedoelen.

En nu ik dit weet, wil ik mijn ikigai vinden. Dat is mijn doel voor de komende tijd. O wacht…


Blog geschreven voor GGD Zeeland

column

De yogales

Dit keer ga ik op tijd weg. Ik wil niet weer te laat bij de yogales aankomen. Om al zwetend en gestresst mijn innerlijke rust op te zoeken. Die is toch al moeilijk te vinden. Maar dat is ook eigenlijk niet de reden dat ik twee maanden geleden met yoga ben begonnen. Ik zoek een manier om mijn stijve lichaam soepel te krijgen. Of op zijn minst minder stijf. Van sporten komt mijn rug in opstand. Dus, yoga dan maar. Wie weet stuit ik daarbij ook nog op wat innerlijke rust.

Ik ben dit keer zo vroeg dat ik zelfs de eerste ben. Met in mijn kielzog twee andere vrouwen. Twee vriendinnen. Ik ga op dezelfde mat zitten als de vorige keer. Ja, vastigheid en duidelijkheid, ik hou daarvan. Uit mijn comfortzone komen? No thanks, het is in mijn comfortzone al moeilijk genoeg.

De twee vriendinnen kletsen er lustig op los. Over de kinderen, over de scholen van de kinderen. Best wel, eh, nou ja, irritant. Hou daar eens mee op. Nou Karin, dat is wel heel erg onaardig en oordelend. Doe ‘s wat spiritueler! Ja ok. Ik adem in. Alles is goed zoals het is.
Meestal dan.
Nou ja, soms toch.
Zo nu en dan?

De rest van de vrouwen (alleen maar vrouwen geen mannen) druppelt binnen. Eén van hen complimenteert een andere vrouw.
‘Wat een lekkere dikke sokken heb je.’
‘Ja dat zijn lekkere dikke sokken. Heb ik tenminste geen kouwe voeten.’
‘Oh lekker. Wat heb je ook een mooie deken.’
‘Ja dank je, hij is ook zo lekker zacht.’
‘Ja zo ziet-ie er ook uit. Lekker zacht.’
Andere vrouwen haken bij het gesprek aan.
‘Ja soms is het hier koud.’
‘Misschien moet je eens bij de verwarming gaan zitten.’
‘Ja maar dat is misschien weer zo warm.’

Iedereen mengt zich nu in het gesprek. Er wordt gelachen. Een lichte paniek komt bij me op. Ik ben de enige die niet aan het gesprek deelneemt. Moet ik nu ook iets zeggen? Bijvoorbeeld dat ik een extra dekentje onder de mat heb gelegd? Dat scheelt namelijk veel optrekkende kou. Lekker warm. Maar de spieren van mijn mond hebben geen zin om zich te bewegen. En mijn stembanden zijn nog loom en stijf. De gedachte alleen al aan de inspanning die ik moet leveren om ook een duit in het zakje te doen, op het goede moment, luid genoeg want anders hoort niemand me…die gedachte alleen al put me uit. Dus geef ik mezelf toestemming te blijven zwijgen. Wel probeer ik bemoedigend te glimlachen, om niet helemaal asociaal te lijken. Ik weet niet of dat helemaal gelukt is.

We gaan beginnen. O nee hè, eerst ademhalingsoefeningen. Die vind ik niet fijn om te doen en het nut ontgaat mij. Ja maar dat is ook onderdeel van de oefening Karin. Voel maar gewoon wat er nu op dit moment is. O ja. Wat is er nu? Weerstand. Verveling. Weerstand. Ongeduld. Weerstand. Zo dan. Nu eindelijk de wat meer dynamische oefeningen. Zoals gewoonlijk is mijn lichaam stijf en stram, en vind ik zelfs de simpelste oefeningen echt retemoeilijk. Maar Karin, het gaat er niet om de oefening zo goed mogelijk uit te voeren. Het gaat erom je grenzen te voelen. O ja, die grenzen liggen bij mij niet zo heel ver weg, dus die voel ik al snel.

Dan gaan we de hurkzit doen. Zoals mensen in het oosten zitten. Je voeten plat op de grond, je billen raken bijna de grond. Iedereen puft, kreunt en steunt. En tot mijn verbazing zit ik in de hurkzit alsof ik nog nooit anders gezeten heb. Het zit nog lekker ook. Dit kan ik! Dit kan ik! Eindelijk eens een yogaoefening die ik KAN! Het kleine meisje binnen in mij dat hunkert naar de goedkeuring van de juf, van haar vader en moeder, van de hele wereld, voelt zich even helemaal ok. Ondertussen probeer ik, al hurkzittend, zo nonchalant mogelijk en ongeïnteresseerd te kijken. Oh, zit ik in de hurkzit, zonder moeite? Ja nou je het zegt. Helaas let niemand op me. We sluiten af met de eindontspanning. Gewoon liggen op je rug. Mijn favoriete oefening.

De les is afgelopen. We ruimen de matjes en de kussens op. Ik doe mijn schoenen en mijn jas aan. De anderen zijn druk in gesprek. Zal ik gedag zeggen of gewoon de deur uitlopen? Nee, dat laatste is wel heel asociaal. Ik stap de deur uit en zeg ‘dahag!’ tegen de andere vrouwen. Ze horen me niet.


Verschenen in de Padma Nieuwsbrief juni 2016

fictie

Kerstverhaal

De Kerstman zat op de rand van zijn arrenslee en stak een sigaret op. Over een half uurtje zouden de rendieren weer terugkomen van hun pauze en dan moesten ze de arrenslee inpakken en weer gaan. Maar hij had eigenlijk helemaal geen zin. Hij was moe. Zó moe. Hij zag er elk jaar weer tegenop om zich in dat pak te hijsen en met die slee rond te rijden. En de laatste jaren werd het alleen maar erger. Hij deed het ook al zo lang en het werd gewoon steeds minder leuk. Ieder jaar was het een paar weken keihard buffelen en dan de rest van het jaar had hij niks te doen. Ja, een beetje onderhoud plegen aan de arrenslee en wachten totdat het weer december werd. Er was ook echt geen zak te doen daar op die Noordpool.

Maar wat de Kerstman erger vond, de mensen waren tegenwoordig zo snel ontevreden. Vroeger kon je ze nog met heel weinig blij maken. Nu was het al snel te weinig of niet goed genoeg. Bovendien hadden de mensen alles al. Daar kwam nog bij dat die Sinterklaas altijd een paar weken vóór hem overal langsging met cadeau’s. Wat haatte hij die arrogante gast. Het enige coole aan de Sint was dat paard. Die was echt tof. Hij had er weleens een biertje mee gedronken, echt lachen was dat met die knol. Ja dat paard was wel ok maar de rest… Zo’n jurk: echt, WAAROM? Echt superonhandig op een paard. En WTF is up met die aanstellerige staf? Ok, die Sint is al best oud, een jaartje of 500 of zo, maar hé, als je op een paard kan klimmen (in een jurk nog wel) en over daken kan rijden, dan kan je ook heus wel zonder staf lopen. Nee, de Sint en hij, dat klikte niet echt. Op het Hoofdkantoor hadden ze een paar jaar geleden nog heel voorzichtig een samenwerking voorgesteld. Maar noway, dat hij met die gast iets samen ging doen. Hij keek wel uit. Voor je het wist liep je zelf in zo’n achterlijke jurk. Maar dat was gelukkig niet doorgegaan.

Maar de Kerstman zou best eens wat anders willen. Als hij nou eens de cadeau’s kon rondbrengen in een warmere tijd van het jaar, dat zou al veel schelen. Maar dat was onbespreekbaar met het Hoofdkantoor. ‘Kerstmis is nou eenmaal in de winter, en je standplaats blijft gewoon de Noordpool’. Dat waren de kaders. Daarbinnen was wel ruimte voor vernieuwing. Sterker nog. Het Hoofdkantoor vond dat hij proactiever en innovatiever moest worden. Hij moest maar eens een voorbeeld nemen aan Sinterklaas. ‘Kijk eens hoe de zware pieten veranderen in gekleurde pieten.’ Ja hoor, alsof de Sint dat zelf bedacht had. Hij moest wel, hij had gewoon weinig keus.

Nee, het viel niet mee Kerstman te zijn in deze tijden. Altijd die verwende rotkinderen die op zijn schoot moesten zitten. Het leek wel of ze ieder jaar vervelender werden. Ging er maar eens een lekker wijf op zijn schoot zitten. Maar dat gebeurde helaas maar zelden. Of hij moest het zelf aan zo’n vrouw vragen. Dat had hij één keer gedaan. Maar dat werd niet echt gewaardeerd. Het was in ieder geval wel lekker proactief. Maar dat was vast niet wat ze daarmee bedoelden op het Hoofdkantoor.

Eén keer was hij echt zijn geduld verloren en had hij een jongetje een flinke draai om zijn oren gegeven. Toegegeven, dat was niet echt slim van hem. Maar dat rotjoch bleef maar aan zijn baard trekken. Ja, dan vráág je erom. Na dat incident had het Hoofdkantoor de Kerstman naar een cursus Anger Management gestuurd. Hij geloofde niet dat het veel geholpen had. Maar op het Hoofdkantoor waren ze tevreden, en hij was gelukkig niet ontslagen. Maar zo’n cursus was niks voor hem. Ze wilden alsmaar dat hij in contact kwam met zijn Innerlijke Zelf. Nou zijn Innerlijke Zelf had helemaal geen zin in contact te komen met wie of wat dan ook. Nee, dat Innerlijke Zelf kon je maar beter met rust laten. Dat was beter voor iedereen.

Maar vooruit, hij was ook de beroerdste niet. Hij kon best wel innovatief zijn. Zo had hij een keer voorgesteld geen rendieren maar ezels te gebruiken. Hij had ook sledehonden kunnen voorstellen, maar dat vond hij wel erg voor de hand liggen. Ezels dus. Hij had namelijk gehoord dat dat hele coole beesten waren. Misschien een beetje koppig, maar ze zeurden tenminste niet zo als die rendieren. Best wel innovatief al zei hij het zelf. Maar nee, dat vonden ze op het Hoofdkantoor geen goed idee. Het was toch meer van hetzelfde volgens hun.

Dus zat de Kerstman nog steeds met die rendieren opgescheept. Echt prima beesten hoor, harde werkers enzo, maar o, wat een gezeik had je daarvan. Ieder jaar weer dezelfde ruzies over wie, wanneer, hoe lang, voorop mag lopen. En altijd zeiken over het eten. Godallemachtig, het was gewoon niet te doen. Er was altijd wel wat.

O jee, daar kwam het eerste rendier alweer aanrennen: ‘Hee ouwe, het is toch mijn beurt om voorop te lopen? Ze willen dat ik wéér achter loop! Dat is toch niet eerlijk?’ Snel maakte de Kerstman zijn sigaret uit. O god, daar gaan we weer. Goed, veel keus had hij nu niet, hij moest er maar het beste van zien te maken. Maar hij nam zich voor dat dit de laatste kerst was als Kerstman. Daarna zou hij bij het Hoofdkantoor langsgaan en zijn ontslag indienen! Wat? Waar kwam die gedachte ineens vandaan? Hij schrok er zelf van. Maar het was ook best een fijne gedachte. Hij kreeg er zelfs een warm en tintelend gevoel van in zijn onderbuik. Of was dat de burrito van eerder die dag? Dat kon ook. In ieder geval voelde hij zich nu een stuk beter. Hij zette zijn muts op, knoopte zijn jas dicht en liep het rendier tegemoet.
‘Is Rudolph weer bezig?’

blog

‘Celine Dion voor mevrouw’

‘Aantal mensen met dementie in 2050 verdubbeld’
‘Alzheimerepidemie vergt nieuw deltaplan’
‘Een groeiende groep jonge mensen krijgt dementie’

Hoho, niet meteen afhaken. Goed ik geef toe, geen vrolijke berichten, vind ik ook. In 2050 ben ik zelf 80 jaar. Ben ik dan nog gezond en vitaal of kwijn ik al dementerend weg in een verpleeghuis (als die dan nog bestaan)? Dat laatste is geen fijn vooruitzicht.

Maar toen zag ik laatst deze film: Alive Inside. En daar werd ik wel vrolijk van. De film gaat niet over een oplossing voor de Alzheimerepidemie (onafwendbaar) of een genezing van de ziekte (voorlopig niet in zicht). Maar over iets dat de kwaliteit van leven van mensen met dementie kan verbeteren. Ouderen die ingedut en in zichzelf gekeerd de dag doorbrengen leven hierdoor helemaal op, worden vrolijk en maken contact.

Ik heb het over: muziek. En dan niet – en dat is wel essentieel – willekeurige muziek, maar muziek die voor die persoon een speciale betekenis heeft. Die verbonden is met herinneringen en emoties. Meestal is dit muziek waar iemand tussen z’n 15e en 25e naar luisterde. De documentaire Alive Inside volgt maatschappelijk werker Dan Cohen die er zijn levenswerk van heeft gemaakt om bewoners van verpleeghuizen in Amerika te voorzien van een Ipod met gepersonaliseerde muziek. Het is boeiend en ontroerend te zien wat er gebeurt als mensen die normaal gesproken ineengedoken in hun stoel zitten en waarmee moeilijk contact te maken is, een koptelefoon met hun favoriete muziek opkrijgen.

Misschien komt dit je bekend voor. Dat zou goed kunnen want een tijdje geleden ging er een filmpje viraal op internet met een stukje uit deze documentaire. Hierin krijgt Henry een 94-jarige in zichzelf gekeerde man met Alzheimer, een koptelefoon op met muziek van vroeger. Kijk maar wat er gebeurt (blog gaat onder de video verder):

Het is zeer de moeite waard om de hele film te bekijken. De film draaide vorig jaar op het IDFA en is nu te zien op Netflix.

Naast dat het een aanstekelijke en ontroerende documentaire is, bood de film mij een klein lichtpuntje. Een sprankje hoop. Áls ik dan al dementerend wegkwijn in een verpleeghuis straks, dan is er in ieder geval nog de muziek, die me – al is het maar voor even – nog wat levensgeluk brengt.

Oh, ik moet niet vergeten trouwens, om nu alvast een persoonlijke playlist samen te stellen. Voordat het te laat is en ze het mij niet meer kunnen vragen. Want ik moet er niet aan denken…:

Weten we van welke muziek mevrouw Weterings houdt?”

“Nee, niet bekend.”

“Ok, even kijken, ze is geboren in 1968, dus ze zal wel van muziek uit de jaren 80 en 90 houden.”

“Celine Dion?”

“Prima, Celine Dion voor mevrouw.”


Blog geschreven voor GGD Zeeland

blog

Het lot van de fruitschaal

Fruit en ik, wij zijn geen vrienden.

Al mijn hele leven eet ik veel te weinig fruit. En da’s best gek. Want ik weet heel goed dat fruit onderdeel is van een gezond voedingspatroon. Ja hallo, ik heb voeding gestudeerd en ik werk bij de GGD. Ik vraag mensen in enquêtes of ze twee stuks fruit per dag eten. Maar zelf blijf ik daar dus hopeloos bij achter.

Dat fascineert me wel. Blijkbaar zegt kennis niks over gedrag. Toch is veel gezondheidsvoorlichting nog steeds gericht op educatie en informatie. Het gaat ervan uit dat kennis leidt tot een andere houding (attitude) en dat leidt tot ander gedrag. Dat werkt soms wel, maar vaak ook niet.

Mensen zijn geen rationeel handelende wezens, al denken beleidsmakers dat wel vaak. We worden beïnvloed door onze emoties en onze omgeving. Vaak onbewust. Veel van ons gedrag is gewoontegedrag en moeilijk te veranderen. Commerciële bedrijven snappen dat maar al te goed. In tegenstelling tot gezondheidsvoorlichters zijn zij prima in staat om hun producten aan de man te brengen. Zij verdiepen zich in de consument. Wat is hun belevingswereld, wat zijn hun drijfveren? En passen daar hun product en marketingstrategie op aan. Ze verkopen geen product maar een gevoel. Coca cola verkoopt geen frisdrankje maar gezelligheid, vriendschap en avontuur.

Hier kunnen we als gezondheidsbevorderaars nog veel van leren. En dat doen we ook gelukkig. Een voorbeeld uit de praktijk:

Een school wilde het ontbijten stimuleren en richtte samen met de leerlingen een leuk ingericht ontbijtlokaal in, waar kinderen voor schooltijd konden ontbijten. Helaas maakte geen kind hier gebruik van. Na observerend onderzoek (rondlopen op het schoolplein) bleek dat veel leerlingen op het schoolplein muziek aan het luisteren of uitwisselen waren. Muziek had dus hun interesse. Uit de gesprekken met de leerlingen bleek daarnaast dat ze het ontbijtlokaal niet ingingen uit schaamte of omdat ze hun ouders niet wilden afvallen (op school ontbijten laat zien dat je ouders niet goed voor je zorgen). Deze informatie zette de school aan om van het lokaal een aantrekkelijke muziekruimte te maken. Uiteraard stonden daar ook schalen met belegde broodjes, die nu wel werden opgegeten. Kort gezegd: het product dat nu ‘verkocht’ werd was niet  een gezond ontbijt maar  plezier met je vrienden.

Dit is een voorbeeld van wat ook wel social marketing wordt genoemd: de toepassing van  marketingconcepten en –technieken om positieve maatschappelijke of sociale veranderingen te bewerkstelligen.  Een veelbelovende aanpak die ook binnen GGD’en in opkomst is. Niet met het opgeheven vingertje vertellen wat de doelgroep moet doen (eet twee stuks fruit per dag bijvoorbeeld), maar je in hen verdiepen en hier je aanpak op afstemmen. Hen verleiden tot het gewenste gedrag.

Kortom, wil je mij aan het fruit krijgen dan zul je dus met iets beters moeten komen dan de boodschap dat het zo gezond is. Want dat wist ik al. En wie weet is het lot van de fruitschaal in huize Weterings (treffend beschreven door Eddie Izzard in onderstaand fragment) dan een beter leven beschoren dan nu.


Blog geschreven voor GGD Zeeland